Print

Grondwettelijk Hof - Arrest nr. 52/2021 van 1 april 2021 – Rolnummer 7141 – Beroep - Artikel 5 van de wet van 30 juli 2018 « tot oprichting van lokale integrale veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme », ingesteld door de vzw « TCC-Accueil, ASBL » en anderen

Rechtbank/Hof
Grondwettelijk Hof
Arrestnummer
52/2021
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
donderdag 1 april 2021
Samenvatting
 
Het Grondwettelijk Hof heeft het beroep tot vernietiging integraal verworpen.
  
Wat het eerste middel betreft, waarin een schending van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven werd aangevoerd, oordeelt het Grondwettelijk Hof dat de met de bestreden wet ingevoerde uitzondering op het beroepsgeheim voldoet aan de vereisten van artikel 8 EVRM. Volgens het Grondwettelijk Hof wordt “de mogelijkheid die wordt toegekend aan een houder van het beroepsgeheim die ingaat op de uitnodiging van de burgemeester om deel te nemen aan de LIVC R, om in het kader daarvan informatie te onthullen die gedekt is door het beroepsgeheim […] omringd met meerdere waarborgen die voortvloeien uit een gecombineerde toepassing van artikel 458ter van het Strafwetboek en de wet van 30 juli 2018” (overweging B. 14.1). Het gaat in het bijzonder om:
 
- de waarborg dat een deelnemer aan een LIVC R niet gehouden is tot een spreekplicht;
- de waarborg van de geheimhoudingsverplichting, bedoeld in artikel 458ter, § 2, eerste lid, van het Strafwetboek, voor wat betreft de door het beroepsgeheim gedekte informatie die in het kader van de LIVC R wordt onthuld;
- de waarborg dat voor het doorgeven van een terugkoppelingsfiche aan de politiediensten een goedkeuring bij consensus vereist is door alle effectief deelnemende leden aan de LIVC R en dat de terugkoppelingsfiche geen door het beroepsgeheim gedekte informatie mag bevatten die tijdens het overleg wordt onthuld;
- de waarborg dat de verwerking van persoonsgegevens van de personen die aan bod komen in een LIVC R niet is toegestaan, behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald.
 
Het Grondwettelijk Hof ziet er ook geen graten in dat aan de burgemeester de bevoegdheid wordt toevertrouwd om de personen te bepalen die hij uitnodigt tot deelname aan de LIVC R. Volgens het Grondwettelijk Hof is dit redelijk verantwoord, “gelet op de noodzaak om rekening te houden met de diversiteit van lokale situaties” (overweging B.14.2).
 
Wat het tweede middel betreft, waarin de schending van artikel 23 van de Grondwet werd aangevoerd, zegt het Grondwettelijk Hof het volgende: “dat de bestreden bepaling wordt verantwoord door redenen die verband houden met het algemeen belang, namelijk de bestrijding van terrorisme en radicalisering” (overweging B.18).
 
Wat het derde middel betreft, waarin de schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel werd aangevoerd, volgt het Grondwettelijk Hof de redenering dat de bekritiseerde verschillen in behandeling niet voortvloeien uit de bestreden bepaling, “maar uit de uitoefening, door de burgemeester, van de hem toegekende bevoegdheid om personen uit te nodigen tot deelname aan de LIVC R en uit de individuele beslissing van iedere houder van het beroepsgeheim die is uitgenodigd om deel te nemen aan de LIVC R, waaraan inherent een spreekrecht is verbonden, om al dan niet deel te nemen aan de LIVC R en al dan niet, in het kader daarvan, informatie te onthullen die is gedekt door het beroepsgeheim” (overweging B.21).
  
Tekst arrest
 
ARREST
 
In zake: het beroep tot vernietiging van artikel 5 van de wet van 30 juli 2018 « tot oprichting van lokale integrale veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme », ingesteld door de vzw « TCC-Accueil, ASBL » en anderen.
 
Het Grondwettelijk Hof,
 
samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût,
 
wijst na beraad het volgende arrest:
 
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
 
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 maart 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 maart 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 5 van de wet van 30 juli 2018 « tot oprichting van lokale integrale veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 september 2018) door de vzw « TCC-Accueil, ASBL », de vzw « AtMOsphères », de vzw « Bureau d’Accueil et de Défense des Jeunes », de vzw « Coordination des Organisations non gouvernementales pour les droits de l’enfant », de vzw « Dynamo international », de vzw « Dynamo », de vzw « Fédération Laïque de l’Aide à la Jeunesse », de vzw « Kinderrechtencoalitie Vlaanderen », de vzw « Ligue des droits humains », de vzw « Samarcande » en de vzw « Uit de marge/CMGJ », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Fierens, advocaat bij de balie te Brussel.
 
Memories zijn ingediend door :
 
- de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel;
- de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel.
 
De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend.
 
De Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend.
 
Bij beschikking van 27 januari 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 10 februari 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen.
 
Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 10 februari 2021 in beraad genomen.
 
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
 
II. In rechte
 
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
 
Wat betreft het onderwerp van het beroep en de ontvankelijkheid ratione temporis
 
A.1.1. De Vlaamse Regering doet gelden dat het beroep, hoewel het formeel gericht is tegen artikel 5 van de wet van 30 juli 2018 « tot oprichting van lokale integrale veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme » (hierna : de wet van 30 juli 2018), in wezen artikel 458ter van het Strafwetboek bekritiseert. Volgens haar is het beroep niet ontvankelijk ratione temporis, aangezien die laatste bepaling in het Strafwetboek werd ingevoegd bij artikel 313 van de wet van 6 juli 2017 « houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie » en omdat de termijn van zes maanden om een beroep tot vernietiging van dat artikel in te stellen is verstreken.
 
A.1.2. De verzoekende partijen antwoorden dat hun beroep uitsluitend gericht is tegen artikel 5 van de wet van 30 juli 2018, dat de lokale integrale veiligheidscel inzake radicalisme, extremisme en terrorisme (hierna : de LIVC R) gelijkstelt met een overlegstructuur in de zin van artikel 458ter van het Strafwetboek. Zij zijn van mening dat artikel 5 van de wet van 30 juli 2018 tot gevolg heeft dat, in het kader van de LIVC R, het beroepsgeheim wordt ingeperkt zonder medeweten van de personen die erdoor worden beschermd, en zij doen gelden dat, in geval van vernietiging van die bepaling, die personen beschermd zullen blijven, zelfs wanneer de beroepsbeoefenaars aan wie zij geheimen hebben toevertrouwd deelnemen aan de LIVC R. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat, indien de wetgever een andere wetgevingstechniek had gebruikt dan die van verwijzing naar een bestaande bepaling, de exceptie van niet-ontvankelijkheid meteen volkomen irrelevant zou zijn gebleken. Zij merken overigens op dat de bestreden bepaling specifieker is dan artikel 458ter van het Strafwetboek. Zij zijn ten slotte van mening dat de bestreden bepaling, in zoverre zij voorziet in een situatie waarin het vrijgeven van door het beroepsgeheim gedekte informatie wordt toegestaan, het toepassingsgebied van de artikelen 458 en 458ter van het Strafwetboek wijzigt.
 
A.1.3. De Ministerraad preciseert van zijn kant dat hij niet de ontvankelijkheid van het beroep betwist in zoverre het betrekking zou hebben op artikel 458ter van het Strafwetboek, maar wel het belang van de verzoekende partijen om in rechte te treden.
 
Wat betreft het belang bij het beroep
 
A.2.1. Na een uiteenzetting van hun statuten voeren de verzoekende partijen aan dat elk van hen zich, wegens de bijzondere aard van haar statutair doel, kan beroepen op een collectief belang dat onderscheiden is van het algemeen belang en dat niet beperkt is tot de individuele belangen van haar leden, dat de bestreden bepaling dat statutair doel kan aantasten en dat geenszins blijkt dat dit statutair doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.
 
A.2.2. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen bij het beroep. Hij is van mening dat, ook al kan principieel worden aangenomen dat bepaalde verzoekende partijen, zoals de vzw « Ligue des droits humains », zouden beschikken over een belang om de vernietiging van de wet van 30 juli 2018 te vorderen in zoverre zij de samenstelling, de werking en de finaliteit van de LIVC’s R regelt, dat belang te dezen echter niet wordt aangetoond, daar het beroep enkel gericht is tegen artikel 5 van die wet. Volgens de Ministerraad zou, aangezien die bepaling preciseert dat de LIVC’s R overlegstructuren zijn in de zin van artikel 458ter van het Strafwetboek, een vernietiging ervan enkel tot gevolg hebben dat alle door artikel 458ter van het Strafwetboek geboden waarborgen worden tenietgedaan. De Ministerraad besluit eruit dat, veeleer dan de bestreden bepaling, het het door de verzoekende partijen ingestelde beroep is dat hun statutair doel rechtstreeks en ongunstig kan raken.
 
A.2.3. De Vlaamse Regering betwist ook het belang van de verzoekende partijen bij het beroep.
 
Ten eerste onderstreept de Vlaamse Regering, net zoals de Ministerraad, dat artikel 458ter van het Strafwetboek, waarnaar de bestreden bepaling verwijst, meerdere waarborgen bevat die het recht op eerbiediging van het privéleven beschermen, zowel voor de houders van beroepsgeheimen als voor de personen die hen in vertrouwen nemen. Volgens de Vlaamse Regering hebben de verzoekende partijen dus geen belang bij een vernietiging van de bestreden bepaling.
 
Ten tweede volstaat het volgens de Vlaamse Regering dat aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in artikel 458ter van het Strafwetboek is voldaan opdat de bij die bepaling vastgelegde uitzondering op het beroepsgeheim van toepassing zou zijn. Volgens haar blijkt uit de artikelen 1 tot 4 van de wet van 30 juli 2018 dat het casusoverleg binnen de LIVC R voldoet aan de voorwaarden van artikel 458ter van het Strafwetboek, hetgeen artikel 5 van die wet alleen maar bevestigt. De Vlaamse Regering besluit eruit dat artikel 5 van de wet van 30 juli 2018 de rechtsordening niet wijzigt, zodat een vernietiging ervan geen weerslag zou hebben op de mogelijkheid om in het kader van de LIVC’s R informatie te onthullen die gedekt is door het beroepsgeheim, en zodat de verzoekende partijen dus geen belang hebben bij het beroep.
 
Ten derde stelt de Vlaamse Regering dat de door de verzoekende partijen aangevoerde aantasting van het recht op eerbiediging van het privéleven een indirect en louter hypothetisch gevolg is van de bestreden bepaling. Zij vestigt in dat verband de aandacht op de volgende twee gevallen : ofwel weigert de houder van het beroepsgeheim in het kader van de LIVC R door het beroepsgeheim gedekte informatie mee te delen en is het nadeel dat door de verzoekende partijen wordt aangevoerd dus onbestaande, ofwel deelt de houder van het beroepsgeheim in het kader van de LIVC R door het beroepsgeheim gedekte informatie en zijn de waarborgen van artikel 458ter van het Strafwetboek van toepassing. Volgens de Vlaamse Regering heeft de kritiek die de verzoekende partijen formuleren met betrekking tot de ontoereikendheid van die waarborgen geen betrekking op artikel 5 van de wet van 30 juli 2018, maar op artikel 458ter van het Strafwetboek, waartegen geen enkel beroep tot vernietiging is ingesteld.
 
Ten vierde doet de Vlaamse Regering gelden dat de grieven van de verzoekende partijen over de identificatie van de houders van het beroepsgeheim die mogen deelnemen aan de LIVC R en over de bevoegdheid van de burgemeester om te bepalen wie van die houders daadwerkelijk wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de LIVC R, in wezen gericht zijn tegen artikel 3 van de wet van 30 juli 2018. Volgens de Vlaamse Regering zijn die grieven niet relevant, aangezien het beroep niet tegen die bepaling is gericht.
 
A.2.4. De verzoekende partijen antwoorden dat zij zich kunnen beroepen op een collectief belang dat onderscheiden is van het algemeen belang. Zij preciseren dat, indien de bestreden bepaling wordt vernietigd, de collectieve belangen die zij verdedigen zullen worden gevrijwaard door een integrale handhaving van het beroepsgeheim, ook wanneer de houder van het beroepsgeheim deelneemt aan de LIVC R. Volgens hen zou een vernietiging van de bestreden bepaling een betere hulpverlening aan de jeugd kunnen garanderen, in het bijzonder in een open omgeving (zie het statutair doel van de eerste, tweede, zevende en tiende verzoekende partij), alsook de inachtneming van de rechten van jongeren, de efficiëntie van de diensten voor preventieve, maatschappelijke en educatieve hulp, de daadwerkelijke begeleiding, de vorming en sensibilisering van jongeren en hun gezin met betrekking tot het bestaan van hun rechten (zie het statutair doel van de derde verzoekende partij) en de bescherming van de kinderrechten en mensenrechten, met inbegrip van onder meer de eerbiediging van het privéleven, de toegang tot de economische, sociale en culturele rechten en de niet-discriminatie (zie het statutair doel van de vierde, vijfde, zesde, achtste, negende en elfde verzoekende partij).
 
A.2.5. De Ministerraad repliceert dat de LIVC R een preventief instrument is en dat de opheffing van het beroepsgeheim in dat kader niet ertoe strekt de bescherming te verminderen van de personen die geheimen toevertrouwen aan beroepsbeoefenaars, maar hun een gepersonaliseerde opvolging te garanderen om hen te helpen. De Ministerraad doet daarnaast gelden dat, indien de bestreden bepaling wordt vernietigd, de bij artikel 458ter van het Strafwetboek geboden waarborgen niet langer van toepassing zijn op de LIVC R, en dat een houder van het beroepsgeheim die deelneemt aan de LIVC R er toch informatie zal kunnen onthullen die gedekt is door het beroepsgeheim, door zich te beroepen op een noodtoestand. In een dergelijke hypothese zullen de andere deelnemers niet verplicht zijn die onthullingen geheim te houden, in tegenstelling tot hetgeen geldt wanneer artikel 458ter van het Strafwetboek van toepassing is.
 
Wat betreft de ontvankelijkheid van de middelen
 
A.3.1. De Vlaamse Regering werpt een exceptie op van gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep, bij gebrek aan uiteenzetting van de middelen. Zij is van mening dat het eerste middel enkel kan worden begrepen als een kritiek op een onevenredige inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven (eerste onderdeel) en in het recht op eerbiediging van het beroepsleven (tweede onderdeel). Volgens de Vlaamse Regering zetten de verzoekende partijen niet uiteen in welk opzicht het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden, zodat de aangevoerde schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet en van artikel 14, in samenhang gelezen met artikel 8, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens enkel zo kan worden begrepen dat ze het feit beoogt dat een bepaalde categorie van personen ten onrechte het genot van een grondrecht, te weten het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, dat het beroepsgeheim geacht wordt te waarbogen wordt ontnomen. Volgens haar is het eerste middel, indien de verzoekende partijen een andere draagwijdte eraan willen geven, niet ontvankelijk, bij gebrek aan uiteenzetting.
 
A.3.2. De verzoekende partijen antwoorden dat zij in hun drie middelen nauwkeurig weergeven van welke bepalingen een schending aanvoeren, alsook in welk opzicht die bepalingen door de bestreden bepaling worden geschonden. Zij voegen eraan toe dat de Vlaamse Regering en de Ministerraad de drie middelen adequaat samenvatten en er uitvoerig op antwoorden.
 
Ten gronde
 
Wat betreft het eerste middel
 
A.4. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door artikel 5 van de wet van 30 juli 2018, van artikel 22 van de Grondwet, van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, van artikel 16 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, afzonderlijk gelezen of « in het licht van » de artikelen 10, 11 en eventueel 191 van de Grondwet, en, wat betreft artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, « in het licht van » artikel 14 van hetzelfde Verdrag.
Eerste onderdeel
 
A.5.1. In het eerste onderdeel van het eerste middel bekritiseren de verzoekende partijen de bestreden bepaling in zoverre zij kennelijk onevenredige afwijkingen invoert op het beginsel van bescherming van het privé- en gezinsleven dat door het beroepsgeheim wordt gewaarborgd, in het nadeel van de personen die hen in vertrouwen nemen en die door het beroepsgeheim zou moeten worden beschermd.
De verzoekende partijen zijn in de eerste plaats van mening dat de wetgever, met de bestreden bepaling, ten onrechte een hypothese van gedeeld beroepsgeheim heeft vastgelegd, omdat te dezen geen enkele van de vijf cumulatieve voorwaarden voor het delen van dat geheim is vervuld. Volgens hen gebeurt immers het doorgeven van informatie in het kader van de LIVC R niet in het belang van de door het beroepsgeheim beschermde persoon, wordt het geheim gedeeld zonder dat de door het geheim beschermde persoon vooraf wordt ingelicht en zonder diens toestemming, kan de informatie worden doorgegeven aan personen die zelf niet gehouden zijn tot het beroepsgeheim, past de voorkoming van terroristische misdrijven niet binnen dezelfde doelstellingen als die welke worden nagestreefd door de houders van het beroepsgeheim en is, ten slotte, het doorgeven van informatie niet noodzakelijk beperkt tot hetgeen noodzakelijk is in het raam van de opdracht van de LIVC R, gelet op het vage karakter van het begrip « voorkoming van terroristische misdrijven ».
 
De verzoekende partijen doen vervolgens gelden dat de bestreden bepaling kennelijk onevenredig is, in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen. Zij klagen aan dat de afwijking van het beroepsgeheim afhangt van de louter discretionaire en zelfs willekeurige beslissing van de burgemeester om houders van het beroepsgeheim uit te nodigen tot deelname aan de LIVC R. Volgens hen wordt de rol van laatstgenoemden aldus gereduceerd tot die van hulpkrachten bij het toezicht op de burgers en volstaat de hun toegekende mogelijkheid om de uitnodiging van de burgemeester te weigeren of om het vrijgeven van door het beroepsgeheim gedekte informatie te weigeren niet om de bestreden bepaling te rechtvaardigen.
 
De verzoekende partijen zijn bovendien van mening dat de omstandigheid dat de deelnemers aan de LIVC R tot geheimhouding zijn verplicht wat betreft de geheimen die tijdens het overleg worden meegedeeld, evenmin de bestreden bepaling rechtvaardigt en dat het in dat opzicht absurd is de korpschef van de politie aan die geheimhoudingsplicht te onderwerpen, terwijl het doorgeven van informatie precies tot doel heeft misdrijven te voorkomen of aan het licht te brengen.
 
Zij bekritiseren overigens het feit dat de « aanwijzingen » in de zin van artikel 3, § 2, van de wet van 30 juli 2018 niet in de wet worden gedefinieerd, zodat de houders van het beroepsgeheim wellicht informatie zullen onthullen die niet relevant is met betrekking tot een eventueel « radicaliseringsproces ».
Aangezien de personen van wie geheimen worden onthuld kinderen kunnen zijn en de door de bestreden bepaling toegestane inmengingen willekeurig zijn, is ten slotte, volgens hen, artikel 16 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind kennelijk geschonden.
 
A.5.2.1. De Vlaamse Regering is in de eerste plaats van mening dat dit onderdeel van het middel gedeeltelijk onontvankelijk is, bij gebrek aan uiteenzetting, en zij verwijst in dat verband naar de door haar opgeworpen exceptie van gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep.
 
A.5.2.2. Volgens de Vlaamse Regering en volgens de Ministerraad mist dat onderdeel van het middel feitelijke en juridische grondslag in zoverre het berust op de premisse dat de bestreden bepaling ertoe zou strekken een hypothese van gedeeld beroepsgeheim vast te leggen. Volgens hen wordt bij artikel 458ter van het Strafwetboek geen hypothese van gedeeld beroepsgeheim ingevoerd, maar een wettelijke uitzondering op het beroepsgeheim. De kritiek dat de bestreden bepaling niet zou voldoen aan de voorwaarden voor een gedeeld beroepsgeheim is volgens hen dus irrelevant.
 
A.5.2.3. De Vlaamse Regering en de Ministerraad onderstrepen dat sommige grieven van de verzoekende partijen geen verband houden met de bestreden bepaling en dat zij dus niet kunnen raken aan de grondwettigheid ervan. Zij vestigen de aandacht op de grief met betrekking tot de bevoegdheid van de burgemeester om de personen te bepalen die hij zal uitnodigen tot deelname aan de LIVC R, en de grief betreffende het vage karakter van het begrip « aanwijzingen » die doen veronderstellen dat iemand zich in een radicaliseringsproces bevindt, grieven die respectievelijk betrekking hebben op de artikelen 3, § 1, en 3, § 2, van de wet van 30 juli 2018. De Ministerraad wijst eveneens op de grief betreffende de mogelijkheid om informatie mee te delen aan de politie, die betrekking heeft op artikel 4 van de wet van 30 juli 2018.
 
A.5.2.4. De Ministerraad merkt op dat het overleg dat wordt georganiseerd in het kader van de LIVC’s R in overeenstemming is met de vereisten van artikel 458ter van het Strafwetboek.
 
A.5.2.5. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof herinneren de Vlaamse Regering en de Ministerraad eraan dat het beroepsgeheim niet absoluut is en zijn zij van mening dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven van iemand die vertrouwelijke informatie toevertrouwt aan een houder van het beroepsgeheim, redelijk verantwoord is in het licht van de doelstellingen die met de wet van 30 juli 2018 worden nagestreefd.
De Vlaamse Regering zet in de eerste plaats uiteen dat in de inmenging wordt voorzien door een voldoende voorzienbare wettelijke norm.
De Vlaamse Regering en de Ministerraad merken vervolgens op dat de inmenging een wettige doelstelling nastreeft, te weten de bestrijding van terrorisme en radicalisering.
 
De Vlaamse Regering voegt in dat verband eraan toe dat de bestreden bepaling niet alleen ertoe strekt de personen die zich in een radicaliseringsproces bevinden snel te identificeren, maar ook een geïndividualiseerd opvolgingstraject voor hen uit te werken, zodat die bepaling niet alleen het algemeen belang en de rechten en vrijheden van anderen beschermt, maar ook de personen die vertrouwelijke informatie toevertrouwen aan een houder van het beroepsgeheim.
De Vlaamse Regering en de Ministerraad zijn ten slotte van oordeel dat de inmenging noodzakelijk en evenredig is.
 
De Vlaamse Regering herinnert eraan dat België sinds enige jaren wordt geconfronteerd met een toenemende dreiging van gewelddadige radicalisering en dat de bestrijding van dat fenomeen zowel repressieve als preventieve maatregelen vereist, en zet uiteen dat de LIVC’s R één van de initiatieven zijn, op lokaal niveau, om radicalisering te voorkomen en dat het in dat kader noodzakelijk is dat de deelnemers aan de LIVC R er vertrouwelijke informatie kunnen onthullen, zelfs indien die gedekt is door het beroepsgeheim. Volgens de Vlaamse Regering en de Ministerraad beantwoordt de bestreden bepaling aan een dwingende maatschappelijke behoefte. De Vlaamse Regering verwijst eveneens naar de beoordelingsmarge waarover de wetgever beschikt inzake terrorismebestrijding.
 
De Vlaamse Regering en de Ministerraad onderstrepen overigens dat de bestreden bepaling louter een spreekrecht, en geen spreekplicht, vastlegt : aangezien het louter gaat om een mogelijkheid die hem wordt geboden, is een houder van het beroepsgeheim niet verplicht om deel te nemen aan de LIVC R, noch om er informatie te onthullen die gedekt is door het beroepsgeheim. Bovendien herinnert de Vlaamse Regering eraan dat artikel 458ter van het Strafwetboek, waarnaar de bestreden bepaling verwijst, meerdere waarborgen biedt : ten eerste worden de finaliteiten waarvoor een casusoverleg kan worden georganiseerd limitatief opgesomd; ten tweede, zoals ook de Ministerraad onderstreept, zijn alle deelnemers tot geheimhouding verplicht wat betreft de tijdens het overleg meegedeelde geheimen en, ten derde, kunnen de geheimen die er worden meegedeeld slechts aanleiding geven tot de strafrechtelijke vervolging van de misdrijven waarvoor het overleg werd georganiseerd. Daarnaast onderstreept de Vlaamse Regering dat de wet van 30 juli 2018 bijkomende waarborgen biedt : enerzijds bepaalt artikel 4, § 2 ervan dat de terugkoppelingsfiche van de LIVC R naar de lokale politie toe een consensus vereist van alle effectief deelnemende personen aan de LIVC R en dat die fiche niet de tijdens het overleg meegedeelde geheimen mag bevatten, en anderzijds verbiedt artikel 4, § 3 ervan, behoudens de door de wet bepaalde uitzonderingen, de verwerking van persoonsgegevens van personen die zijn voorgedragen in een LIVC R. Zij merkt eveneens op dat de beslissing om al dan niet door het beroepsgeheim gedekte informatie vrij te geven, in het kader van de LIVC R, steeds afhangt van een individuele en professionele beoordeling door elke deelnemer. Zij is ten slotte van mening dat de bestreden bepaling niet tot gevolg heeft dat de socio-preventieve actoren hulpagenten worden en dat zij hen niet verhindert hun opdrachten, waarvoor overigens informatie mag worden gedeeld in het kader van de LIVC R, te vervullen.
De Vlaamse Regering besluit eruit dat de wetgever zijn beoordelingsmarge niet heeft overschreden en dat hij een billijk evenwicht tot stand heeft gebracht tussen de aanwezige rechten en belangen, en de Ministerraad besluit eruit dat de inmenging redelijk verantwoord is en evenredig met het nagestreefde doel. Volgens hen is dat onderdeel van het middel dus niet gegrond.
 
A.5.3. De verzoekende partijen antwoorden dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de intentie had een hypothese van gedeeld beroepsgeheim in te voeren, maar dat zij met genoegen vaststellen dat de Ministerraad erkent dat de bij de bestreden bepaling ingevoerde uitzondering op het beroepsgeheim in werkelijkheid niets te maken heeft met het gedeelde beroepsgeheim, in tegenstelling tot hetgeen de wetgever ten onrechte beweert. Niettemin toont, volgens de verzoekende partijen, de onjuiste gelijkstelling, door de wetgever, van de bestreden bepaling met het gedeelde beroepsgeheim aan dat de middelen die door de wetgever zijn aangewend niet evenredig zijn met de doelstellingen die hij nastreeft. Volgens hen heeft de verwijzing naar het gedeelde beroepsgeheim tot gevolg dat de bij artikel 5 van de wet van 30 juli 2018 ingevoerde uitzondering op het beroepsgeheim wordt geminimaliseerd en zelfs gebanaliseerd.
 
De verzoekende partijen doen overigens gelden dat, in zoverre zij kritiek uitoefenen op de aan de burgemeester toevertrouwde bevoegdheid om de personen te bepalen die hij zal uitnodigen tot deelname aan de LIVC R, zij niet artikel 3, § 1, tweede lid, van de wet van 30 juli 2018 aanvechten, maar zij stellen vast dat artikel 5 van die wet de opheffing van het beroepsgeheim louter laat afhangen van de beslissing van de burgemeester en van de instemming van de houder van het beroepsgeheim om informatie door te geven aan de LIVC R. Op dezelfde manier leggen zij, wat betreft het doorgeven van in het kader van de LIVC R ingewonnen informatie aan de politie, uit dat zij niet de bepalingen van de wet van 30 juli 2018 die in die overdracht voorzien als zodanig bekritiseren, maar dat zij op die manier de aandacht vestigen op de bijzonder ernstige gevolgen van artikel 5 van de wet van 30 juli 2018.
 
De verzoekende partijen bekritiseren ten slotte het feit dat de personen die door de burgemeester kunnen worden uitgenodigd om deel te nemen aan de LIVC R, niet zijn gedefinieerd. Zij doen daarnaast gelden dat er een reëel risico bestaat dat een van die personen de draagwijdte van het begrip « personen die signalen vertonen van een radicaliseringsproces in de zin van artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten » verkeerd inschat en op die manier een geheim verraadt. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof nr. 44/2019 van 14 maart 2019 zijn zij van mening dat de beoordeling van dat begrip veronderstelt dat de houder van het beroepsgeheim het gedrag van een derde juridisch moet kwalificeren omdat hij moet bepalen of de persoon die hem in vertrouwen neemt al dan niet signalen vertoont van een radicaliseringsproces. Volgens hen kunnen de tot geheimhouding verplichte personen die worden uitgenodigd om deel te nemen aan de LIVC R onbevoegden zijn, van wie men niet kan verwachten dat zij zich ervan vergewissen of er bij een derde een « radicaliseringsproces » aan de gang is dat een risico van « terroristische misdrijven » impliceert, aangezien die personen niet de bevoegdheid, noch de nodige middelen daartoe hebben. Volgens hen is de bestreden bepaling, in zoverre zij de houder van het beroepsgeheim de illusie kan geven dat hij aan de LIVC R informatie kan onthullen die in werkelijkheid gedekt is door het beroepsgeheim, kennelijk onevenredig met de doelstellingen van de wetgever.
 
A.5.4. De Ministerraad repliceert dat uit een uittreksel van de parlementaire voorbereiding dat uit zijn context is gehaald, niet kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever was dat het in het kader van de LIVC R georganiseerd overleg zou berusten op het begrip « gedeeld beroepsgeheim ».
Hij is overigens van mening dat het voormelde arrest nr. 44/2019, waarbij het Hof artikel 46bis/1, § 3, van het Wetboek van strafvordering heeft vernietigd, te dezen niet kan worden overgenomen. Ten eerste wijst hij erop dat, terwijl artikel 46bis/1, § 3, van het Wetboek van strafvordering een verplichting tot aangifte oplegde, artikel 5 van de wet van 30 juli 2018 geen verplichting oplegt om deel te nemen aan de LIVC R, noch een verplichting om er door het beroepsgeheim gedekte informatie te onthullen. Ten tweede oordeelt de Ministerraad dat er geen parallel kan worden gemaakt tussen de techniciteit waarop in het voormelde arrest nr. 44/2019 werd gewezen, van wat « ernstige aanwijzingen van een terroristisch misdrijf bedoeld in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek » zijn en het begrip « personen die signalen vertonen van een radicaliseringsproces in de zin van artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten ». Ten derde brengt hij in herinnering dat de LIVC’s R worden georganiseerd met een preventief doel, terwijl artikel 46bis/1, § 3, van het Wetboek van strafvordering een repressief doel nastreefde.
 
Tweede onderdeel
 
A.6.1. In het tweede onderdeel van het eerste middel bekritiseren de verzoekende partijen de bestreden bepaling in zoverre zij kennelijk onevenredige afwijkingen invoert van het beginsel van bescherming van het privé- en gezinsleven van de houders van het beroepsgeheim die deelnemen aan de LIVC R. Zij herinneren eraan dat het beroepsleven deel uitmaakt van het privéleven en onderstrepen dat het beroepsleven van de deelnemers aan de LIVC R ingrijpend wordt gewijzigd door de mogelijkheid om er informatie te onthullen die gedekt is door het beroepsgeheim. Daarnaast zijn zij van mening dat de uitzonderingen op het beroepsgeheim die zijn vastgelegd bij de artikelen 458, 458bis en 458ter van het Strafwetboek en door de theorie van de noodtoestand de samenleving reeds adequaat beschermen tegen het risico van terroristische misdrijven, zodat de bestreden bepaling overbodig en bijgevolg onevenredig is.
 
A.6.2. De Vlaamse Regering is allereerst van mening dat het onderdeel gedeeltelijk onontvankelijk is, bij gebrek aan uiteenzetting, en verwijst daarbij naar de door haar opgeworpen exceptie van gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep.
Zij onderstreept vervolgens dat de inmenging in het beroepsleven van de deelnemers aan de LIVC R bij de wet is vastgelegd en dat zij een legitiem doel nastreeft. Zij verwijst daarbij naar de overwegingen die zij uiteenzet met betrekking tot het eerste onderdeel.
De Vlaamse Regering merkt ten slotte op dat de verzoekende partijen niet aantonen in welk opzicht de bestreden bepaling onevenredig zou zijn in het licht van de doelstellingen van de wetgever. Volgens haar beweren de verzoekende partijen alleen maar dat de bestreden bepaling overbodig zou zijn wegens de uitzonderingen op het beroepsgeheim die reeds zijn vastgelegd bij de artikelen 458 tot 458ter van het Strafwetboek en door de theorie van de noodtoestand. Volgens haar kan zulk een redenering niet worden gevolgd. Ten eerste kunnen de verzoekende partijen volgens haar niet tegelijk aanvoeren dat artikel 5 van de wet van 30 juli 2018, dat gewoon bepaalt dat de LIVC R een overlegstructuur is in de zin van artikel 458ter van het Strafwetboek, het recht op eerbiediging van het privéleven schendt, en stellen dat artikel 458ter van het Strafwetboek de samenleving reeds adequaat beschermt tegen het risico van terroristische misdrijven. Ten tweede is de Vlaamse Regering van mening dat de kritiek van de verzoekende partijen op het overbodige karakter van de bestreden bepaling een opportuniteitskritiek is, die dus niet kan worden aangenomen. Ten derde voert de Vlaamse Regering in ondergeschikte orde aan dat, in de veronderstelling dat rekening moet worden gehouden met alternatieve maatregelen, die maatregelen niet als adequaat kunnen worden beschouwd wanneer zij niet toelaten de door de wetgever nagestreefde doelstellingen te bereiken. Zij verwijst in dat verband naar de redenering van het Hof in het voormelde arrest nr. 44/2019, wat betreft artikel 46bis/1, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering. Zij is van mening dat die redenering te dezen kan worden overgenomen, aangezien de uitzondering op het beroepsgeheim in het kader van de LIVC R noodzakelijk is om de door de wetgever nagestreefde doelstellingen inzake preventie van terrorisme en bestrijding van radicalisering te bereiken. De Vlaamse Regering ziet niet in welk opzicht de reeds bestaande uitzonderingen op het beroepsgeheim zouden kunnen volstaan om die doelstellingen te bereiken : enerzijds, betreft artikel 458bis van het Strafwetboek slechts een beperkt aantal misdrijven, gepleegd op minderjarigen of op kwetsbare personen, en laat het dus niet toe terroristische misdrijven te voorkomen, en, anderzijds, maakt de theorie van de noodtoestand het niet mogelijk een overleg te organiseren met een preventief doel, hetgeen daarentegen precies de bedoeling is van de LIVC R.
 
A.6.3. De Ministerraad herinnert eraan dat de bestreden bepaling erin voorziet dat de LIVC R een overlegstructuur is in de zin van artikel 458ter van het Strafwetboek, en is van mening dat die bepaling slechts de weergave is, in een bijzondere wetgeving, van de uitdrukkelijke wil van de wetgever bij de invoeging van dat artikel in het Strafwetboek. Net zoals de Vlaamse Regering is hij van oordeel dat de redenering van het Hof in het voormelde arrest nr. 44/2019 te dezen kan worden overgenomen.
 
Wat betreft het tweede middel
 
A.7.1. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, door artikel 5 van de wet van 30 juli 2018. Zij herinneren eraan dat de tenuitvoerlegging van de economische, sociale en culturele rechten het optreden vergt van talrijke personen die kunnen worden uitgenodigd tot deelname aan de LIVC R, en zij stellen dat de rechthebbenden, die vaak kwetsbaar zijn en in onzekerheid leven, hun vertrouwen in die personen zullen verliezen omdat laatstgenoemden, in het kader van de LIVC R, informatie kunnen onthullen die gedekt is door het beroepsgeheim. Volgens hen brengt de bestreden bepaling dus de effectiviteit van artikel 23 van de Grondwet in gevaar. Zij zijn bovendien van mening dat artikel 23 van de Grondwet eerste lid ervan rechtstreekse gevolgen heeft, en het tweede en het derde lid ervan een standstill-verplichting bevatten. Volgens hen brengt de bestreden bepaling een aanzienlijke achteruitgang teweeg in de rechten die bij die bepaling zijn vastgelegd, zonder dat zulks noodzakelijk is om de door de wetgever nagestreefde doelstellingen te bereiken.
 
A.7.2. Volgens de Vlaamse Regering leidt de bestreden bepaling niet tot een achteruitgang van het beschermingsniveau van de bij artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde economische en sociale rechten. Zij is van mening dat de verzoekende partijen kunstmatig een verband trachten te leggen tussen de bestreden bepaling en artikel 23 van de Grondwet, en dat zij niet aantonen in welk opzicht de effectiviteit van de economische en sociale rechten door de bestreden bepaling in gevaar zou worden gebracht. Zij voegt eraan toe dat een eventueel verlies van vertrouwen tussen de personen die de houders van het beroepsgeheim in vertrouwen nemen en die houders niet voortvloeit uit de bestreden bepaling en dat het slechts om een veronderstelling gaat, die niet wordt gestaafd door de verzoekende partijen. Zij verwijst eveneens naar haar weerlegging van het eerste middel.
In ondergeschikte orde voert de Vlaamse Regering aan dat, in de veronderstelling dat het Hof oordeelt dat de bestreden bepaling het beschermingsniveau van de bij artikel 23 van de Grondwet vastgelegde rechten aanzienlijk vermindert, er redenen van algemeen belang zijn die dat rechtvaardigen. Volgens haar draagt de bestreden bepaling immers bij tot de nationale veiligheid, de bescherming van de openbare orde en de voorkoming van misdrijven.
 
A.7.3. De Ministerraad herinnert eraan dat artikel 23 van de Grondwet geen rechtstreekse gevolgen heeft, maar dat het een standstill-verplichting bevat, en hij onderstreept dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de bestreden bepaling zou leiden tot een fenomeen van het niet-opnemen van sociale rechten, noch a fortiori dat een dergelijk fenomeen significant zou zijn. De Ministerraad voegt eraan toe dat, hoe dan ook, een eventuele vermindering van het beschermingsniveau van de bij artikel 23 van de Grondwet vastgelegde rechten te dezen gerechtvaardigd is door redenen van algemeen belang.
 
A.7.4. De verzoekende partijen antwoorden dat het fenomeen van het niet-opnemen van sociale rechten, hoewel het duidelijk niet kan worden bewezen voor de toekomst, al verschillende jaren perfect wordt waargenomen door het Steunpunt tot bestrijding van de armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, en door universitaire onderzoekers.
 
A.7.5. De Ministerraad repliceert dat de verzoekende partijen niet aantonen dat een fenomeen van het niet-opnemen van sociale rechten te dezen waarschijnlijk zou zijn, en nog minder dat het significant zou zijn. Daarnaast merkt hij op dat de mogelijke verklaringen voor het fenomeen van het niet-opnemen van rechten, die worden gegeven in door de verzoekende partijen geciteerde universitaire studies, geen verband houden met een mogelijke vrees dat de houders van het beroepsgeheim vertrouwelijke informatie onthullen.
 
Wat betreft het derde middel
 
A.8.1. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door artikel 5 van de wet van 30 juli 2018.
In het eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen, enerzijds, de personen die houders van het beroepsgeheim in vertrouwen nemen die zijn uitgenodigd om deel te nemen aan de LIVC R en die erin toestemmen er het woord te nemen en, anderzijds, de personen die houders van het beroepsgeheim in vertrouwen nemen die niet zijn uitgenodigd om deel te nemen aan de LIVC R of die de uitnodiging weigeren. Volgens hen ondergaat alleen de eerste categorie de gevolgen van de uitzondering op het beroepsgeheim waarin de bestreden bepaling voorziet. De verzoekende partijen zijn van mening dat het feit dat de houder van het beroepsgeheim al dan niet is uitgenodigd om deel te nemen aan de LIVC R of dat hij al dan niet erin heeft toegestemd informatie vrij te geven die gedekt is door het beroepsgeheim, geen objectief criterium is en geen redelijke verantwoording vormt voor het bekritiseerde verschil in behandeling.
In het tweede onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen het verschil in behandeling tussen twee categorieën van houders van het beroepsgeheim : diegenen die door de burgemeester worden uitgenodigd om deel te nemen aan de LIVC R en die welke niet daartoe worden uitgenodigd. Zij zijn van mening dat dit verschil in behandeling, dat bijzonder ernstige gevolgen heeft voor de grenzen van het beroepsgeheim waartoe die twee categorieën van personen gehouden zijn, discriminerend is, in zoverre het afhangt van een discretionaire en zelfs willekeurige beslissing van de burgemeester.
 
A.8.2. Wat het eerste onderdeel van het middel betreft wijst de Vlaamse Regering erop dat, indien de grief moet worden begrepen als een kritiek op het feit dat een bepaalde categorie van personen ten onrechte het genot van een grondrecht, namelijk het recht op eerbieding van het privé- en gezinsleven, dat het beroepsgeheim geacht wordt te waarborgen, wordt ontnomen, die grief overeenstemt met het eerste onderdeel van het eerste middel. De Vlaamse Regering verwijst dan ook naar haar weerlegging van dat onderdeel. In ondergeschikte orde wijst zij erop dat het door de verzoekende partijen bekritiseerde verschil in behandeling zijn oorsprong niet vindt in de bestreden bepaling, maar in de manier waarop zij in de praktijk zal worden uitgevoerd, en dat dit verschil in behandeling voortvloeit uit het feit dat artikel 458ter van het Strafwetboek, dat niet wordt bestreden, een spreekrecht en geen spreekplicht vastlegt.
Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, werpt de Vlaamse Regering allereerst een exceptie van niet-ontvankelijkheid op, aangezien de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welk opzicht vergelijkbare categorieën van personen het voorwerp zouden uitmaken van een verschil in behandeling dat zou voortvloeien uit de bestreden bepaling. Zij is vervolgens van mening dat, indien het onderdeel moet worden begrepen als een kritiek op het feit dat sommige houders van het beroepsgeheim door de burgemeester worden uitgenodigd om deel te nemen aan de LIVC R terwijl anderen niet daartoe worden uitgenodigd, het bekritiseerde verschil in behandeling niet voortvloeit uit artikel 5 van de wet van 30 juli 2018, maar uit de manier waarop artikel 3, § 1, tweede lid, van dezelfde wet in de praktijk wordt uitgevoerd.
 
A.8.3. Wat beide onderdelen betreft, onderstreept de Ministerraad dat de bekritiseerde verschillen in behandeling hun oorsprong niet vinden in artikel 5 van de wet van 30 juli 2018, aangezien het artikel 3, § 1, van de wet van 30 juli 2018 is dat aan de burgemeester de bevoegdheid verleent om de personen te bepalen die hij zal uitnodigen tot deelname aan de LIVC R. Hij voegt eraan toe dat de bekritiseerde verschillen in behandeling niet voortvloeien uit die laatste bepaling, maar uit de tenuitvoerlegging ervan.
 
A.8.4. Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, antwoorden de verzoekende partijen dat het bekritiseerde verschil in behandeling zijn oorsprong vindt in artikel 5 van de wet van 30 juli 2018, en niet in artikel 3, § 1, van dezelfde wet, omdat hun grief niet gericht is tegen het feit dat de burgemeester bepaalde personen kan uitnodigen om deel te nemen aan de LIVC R, maar tegen het feit dat de door hem uitgenodigde personen er informatie mogen vrijgeven die gedekt is door het beroepsgeheim.
Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, antwoorden zij dat de discriminatie erin bestaat dat de bestreden bepaling bepaalde houders van het beroepsgeheim het voordeel van artikel 458 van het Strafwetboek ontzegt, zonder dat daarvoor objectieve en redelijke gronden zijn.
 
A.8.5. Wat beide onderdelen van het middel betreft, repliceert de Ministerraad dat er geen enkel verschil in behandeling bestaat, noch tussen de houders van het beroepsgeheim, noch tussen de door het beroepsgeheim beschermde personen, aangezien de bestreden bepaling ze allemaal in dezelfde situatie plaatst. Volgens hem kunnen immers alle houders van het beroepsgeheim door de burgemeester worden uitgenodigd om deel te nemen aan de LIVC R en kunnen alle door het beroepsgeheim beschermde personen hun vertrouwenspersoon zien deelnemen aan een dergelijk overleg. Daarnaast onderstreept hij dat het overleg dat in het kader van de LIVC R wordt georganiseerd geen enkele druk mag leggen op de personen die worden uitgenodigd om eraan deel te nemen, aangezien zij vrij blijven om de uitnodiging te weigeren en zelf beoordelen wat zij al dan niet aan de andere deelnemers menen te moeten toevertrouwen.
Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan
 
B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 5 van de wet van 30 juli 2018 « tot oprichting van lokale integrale veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme » (hierna : de wet van 30 juli 2018).
Die wet bevat vijf artikelen en bepaalt:
« Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Art. 2. De burgemeester richt een lokale integrale veiligheidscel inzake radicalisme, extremisme en terrorisme, hierna ‘ LIVC R ’ genoemd, op. De LIVC R heeft tot doel de voorkoming van terroristische misdrijven bedoeld in Titel Iter van Boek II [van] het Strafwetboek.
Met het oog op de gemeenschappelijke behartiging van deze doelstelling kunnen twee of meer burgemeesters een gemeenschappelijke LIVC R oprichten voor het grondgebied van al de gemeenten waarvoor zij bevoegd zijn.
Art. 3. § 1. De LIVC R is samengesteld uit :
- de burgemeester en/of de door hem aangestelde vertegenwoordiger;
- de korpschef en/of de door hem aangestelde vertegenwoordiger van de lokale politie die houder is van een veiligheidsmachtiging van minstens het niveau ‘ geheim ’ krachtens de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen;
- de gemeenteambtenaar die instaat voor de coördinatie, de ondersteuning en de begeleiding van de verschillende preventiemaatregelen die door de gemeente worden genomen.
 
Omwille van de bijdrage die zij vanuit hun functie kunnen leveren aan een geïndividualiseerde casusgerichte opvolging, op het niveau van de lokale geografische entiteit, van personen die signalen vertonen van een radicaliseringsproces in de zin van artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, nemen, op uitnodiging van de burgemeester, ook deel aan de LIVC R :
- de personeelsleden van de gemeente of andere diensten die werken op gemeentelijk niveau;
- de leden van diensten die tot de bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten behoren en daartoe gemachtigd worden door hun respectievelijke overheden bij of krachtens een decreet of ordonnantie.
§ 2. De burgemeester stelt de lijst op van de casussen waarvoor er aanwijzingen bestaan dat zij zich bevinden in een radicaliseringsproces bedoeld in artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en die zullen besproken worden op de LIVC R, onder meer op basis van informatie die hij kan opvragen bij alle diensten die hij pertinent acht, waaronder de deelnemers zoals bedoeld in paragraaf 1. De LIVC R kan een gepersonaliseerd opvolgingstraject ontwikkelen en opvolgen voor elk van deze individuen.
Art. 4. § 1. De korpschef en/of de door hem aangestelde vertegenwoordiger van de lokale politie bedoeld in artikel 3, kan de informatiekaarten, zoals bedoeld in artikel 1, 15°, van het koninklijk besluit van 23 april 2018 betreffende de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten en tot uitvoering van sommige bepalingen van de afdeling 1bis ‘ het informatiebeheer ’ van hoofdstuk IV van de wet op het politieambt en artikel 1, 12°, van het koninklijk besluit van 21 juli 2016 betreffende de gemeenschappelijke gegevensbank Terrorist Fighters, van de personen van wie het geval ter bespreking wordt voorgelegd in een LIVC R overeenkomstig artikel 3, § 2, meedelen aan de leden van het LIVC R.
 
§ 2. De korpschef en/of de door hem aangestelde vertegenwoordiger van de lokale politie bedoeld in artikel 3, kan, na goedkeuring bij consensus door alle effectief deelnemende leden van het LIVC R, een terugkoppelingsfiche van een persoon van wie het geval ter bespreking wordt voorgelegd in een LIVC R overeenkomstig artikel 3, § 2, meedelen aan de vertegenwoordigers van de diensten bedoeld in artikel 44/11/3ter, § 1, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt die bevoegd zijn voor de geografisch[e] zone van het betrokken LIVC R. De terugkoppelingsfiche bevat een evaluatie van de opvolging binnen het LIVC R. De terugkoppelingsfiche bevat geen tijdens het overleg meegedeelde geheimen.
 
§ 3. De verwerking van persoonsgegevens van de personen voorgedragen in een LIVC R overeenkomstig artikel 3, § 2, wordt niet toegestaan, behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald.
 
Art. 5. De LIVC R is een overlegstructuur in de zin van artikel 458ter van het Strafwetboek ».
B.2.1. De wet van 30 juli 2018 legt de verplichting op om een lokale integrale veiligheidscel inzake radicalisme, extremisme en terrorisme (hierna : de LIVC R) op te richten in elke gemeente of, in voorkomend geval, een gemeenschappelijke LIVC R voor het grondgebied van meerdere gemeenten.
 
Zij geeft op die manier uitvoering aan één van de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie « belast met het onderzoek naar de omstandigheden die hebben geleid tot de terroristische aanslagen van 22 maart 2016 in de luchthaven Brussel-Nationaal en in het metrostation Maalbeek te Brussel, met inbegrip van de evolutie en de aanpak van de strijd tegen het radicalisme en de terroristische dreiging », zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding :
« Overeenkomstig de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie naar de terroristische aanslagen van 22 maart 2016, wordt de oprichting van een LIVC R verplicht gemaakt ». (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3209/001, p. 4).
 
In haar derde tussentijds verslag, over het onderdeel « veiligheidsarchitectuur », deed de parlementaire onderzoekscommissie immers de volgende aanbeveling :
« De onderzoekscommissie dringt er op aan dat in alle gemeenten (afzonderlijk of op bovenlokale basis) een LIVC wordt ingericht, ook al is dit voorlopig een ‘ slapend ’ concept bij afwezigheid van elementen die verband houden met nakende radicalisering of terroristische dreiging. Het is zeker nu in het raam van de actuele dreiging en het feit dat FTF’s [lees: Foreign Terrorist Fighters] gaan terugkeren, aangewezen dat alle gemeenten minstens voorbereid zijn op mogelijke problemen.
 
Bovenlokale LIVC’s zijn aan te moedigen voor kleinere gemeenten, op voorwaarde dat de positie van elke burgemeester verankerd blijft.
 
Ook de bovenlokale samenwerking tussen LIVC’s moet worden verduidelijkt en aangemoedigd en dit op basis van de beste praktijken. De bestaande richtlijnen moeten beter geïntegreerd en waar nodig worden aangevuld en verfijnd.
 
Uitgaande van de goede praktijken die nu hun waarde hebben bewezen, moet werk worden gemaakt van geharmoniseerde werkingsregels (met bijzondere aandacht voor de informatiehuishouding en het beroepsgeheim, en dit mede op basis van recente wetswijzigingen) » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-1752/008, pp. 178-179).
 
B.2.2. Volgens artikel 2 van de wet van 30 juli 2018 heeft de LIVC R tot doel terroristische misdrijven bedoeld in titel Iter van boek II van het Strafwetboek te voorkomen. De parlementaire voorbereiding bevestigt dat de LIVC R in een preventieve aanpak past, terwijl de reactieve en repressieve aanpak onder de bevoegdheid van de Lokale Task Force (hierna : de LTF) valt :
« De LIVC’s R zijn een instrument in de bestrijding van gewelddadige radicalisering doordat zij personen die zich in een radicaliseringsproces bevinden vroeg detecteren en geïndividualiseerde opvolgtrajecten kunnen uitwerken voor hen.
 
De LIVC’s R bestaan in symbiose met een Lokale Task Force (hierna ‘ LTF ’ genoemd). Daar waar een LTF focust op een reactieve en repressieve aanpak via een politionele en gerechtelijke opvolging overeenkomstig de omzendbrief van 22 mei 2018 van de minister van Binnenlandse Zaken en van de minister van Justitie betreffende de informatieuitwisseling rond en de opvolging van terrorist fighters en haat-propagandisten, benadert een LIVC R de persoon vanuit het verhaal van de inclusieve samenleving. Dit weerspiegelt zich in de samenstelling van de overlegstructuren. In de LTF’s zetelen politiediensten, de veiligheids- en inlichtingendiensten en het Openbaar Ministerie. In een LIVC R daarentegen zetelen voornamelijk lokale maatschappelijke actoren. Met uitzondering van de lokale politie (Information Officer) die de link verzekert met de LTF, zetelt geen enkel lid van de LTF in de LIVC R » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3209/001, p. 4).
 
B.2.3. Volgens artikel 3, § 1, van de wet van 30 juli 2018 is de LIVC R samengesteld uit de burgemeester of diens vertegenwoordiger, de korpschef van de lokale politie of diens vertegenwoordiger en de gemeenteambtenaar die instaat voor de coördinatie, de ondersteuning en de begeleiding van de verschillende preventiemaatregelen die door de gemeente worden genomen. De burgemeester kan bovendien twee categorieën van personen uitnodigen tot deelname aan de LIVC R, die vanuit hun functie een bijdrage kunnen leveren aan een geïndividualiseerde casusgerichte opvolging, op het niveau van de gemeente, van personen die signalen vertonen van een radicaliseringsproces in de zin van artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten : enerzijds, de personeelsleden van de gemeente of andere diensten die werken op gemeentelijk niveau en, anderzijds, de leden van diensten die tot de bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten behoren en daartoe gemachtigd worden door hun respectievelijke overheden bij of krachtens een decreet of ordonnantie. Zo kunnen bijvoorbeeld, volgens de parlementaire voorbereiding, « de lokale medewerkers belast met het dossier radicalisering, preventiemedewerkers, vertegenwoordigers van lokale actoren (bijvoorbeeld scholengemeenschappen, CLB’s, sociale dienst van het OCMW, ziekenhuizen, bemiddelingsdiensten, begeleidingsdiensten voor minderjarigen, VDAB en werkwinkels, CAW’s,…), leden van justitiehuizen, leden van gemeentelijke diensten (bijvoorbeeld de dienst Bevolking, Jeugd, Onderwijs,…), lokale verenigingen, … » worden uitgenodigd om deel te nemen aan de LIVC R (ibid., p. 7).
 
B.2.4. Uit artikel 3, § 2, van de wet van 30 juli 2018 blijkt dat de LIVC R tot doel heeft de situatie van personen die signalen vertonen van een radicaliseringsproces gezamenlijk te bespreken, om eventueel, voor elk van die personen, een geïndividualiseerd opvolgingstraject uit te werken.
 
B.2.5. Artikel 4 van de wet van 30 juli 2018 regelt de uitwisseling van informatie tussen de LIVC R en de LTF. De parlementaire voorbereiding vermeldt :
 
« Dit artikel betreft de informatiedoorstroom tussen de LTF, zoals omschreven in de omzendbrief van 22 mei 2018 van de minister van Binnenlandse Zaken en van de minister van Justitie betreffende de informatieuitwisseling rond en de opvolging van terrorist fighters en haatpropagandisten, en de LIVC R. De Information Officer van de lokale politie zorgt voor de informatiedeling tussen de LTF en de LIVC R » (ibid., p. 8).
 
B.2.6.1. Artikel 5 van de wet van 30 juli 2018, waarvan de verzoekende partijen de vernietiging vorderen, bepaalt ten slotte dat de LIVC R een overlegstructuur is in de zin van artikel 458ter van het Strafwetboek.
 
B.2.6.2. Artikel 458ter van het Strafwetboek, dat werd ingevoegd bij artikel 313 van de wet van 6 juli 2017 « houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie », voorziet in een uitzondering op de geheimhoudingsplicht waaraan een houder van het beroepsgeheim in principe gebonden is krachtens artikel 458 van het Strafwetboek, teneinde casusoverleg mogelijk te maken.
 
 
Dat artikel bepaalt :
 
« § 1. Er is geen misdrijf wanneer iemand die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van geheimen, deze meedeelt in het kader van een overleg dat wordt georganiseerd, hetzij bij of krachtens een wet, decreet of ordonnantie, hetzij bij een met redenen omklede toestemming van de procureur des Konings.
Dit overleg kan uitsluitend worden georganiseerd, hetzij met het oog op de bescherming van de fysieke en psychische integriteit van de persoon of van derden, hetzij ter voorkoming van de misdrijven bedoeld in Titel Iter van Boek II of van de misdrijven gepleegd in het raam van een criminele organisatie, zoals bepaald in artikel 324bis.
De in het eerste lid bedoelde wet, decreet of ordonnantie, of de met redenen omklede toestemming van de procureur des Konings bepalen ten minste wie aan het overleg kan deelnemen, met welke finaliteit en volgens welke modaliteiten het overleg zal plaatsvinden.
 
§ 2. De deelnemers zijn tot geheimhouding verplicht wat betreft de tijdens het overleg meegedeelde geheimen. Eenieder die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458.
De geheimen die tijdens dit overleg worden meegedeeld, kunnen slechts aanleiding geven tot de strafrechtelijke vervolging van de misdrijven waarvoor het overleg werd georganiseerd ».
In de parlementaire voorbereiding van die bepaling wordt gepreciseerd :

« Het uitgangspunt is dat een drager van het beroepsgeheim kan beschikken over bepaalde informatie die hij onrustwekkend vindt. Een ‘ onrustwekkendheid ’ die kan voortvloeien uit bepaalde indicaties, gedragingen of bewoordingen van de geheimgerechtigde, die in de afweging niet volstaan om ofwel gebruik te maken van het spreekrecht of van de toepassing van de noodtoestand, maar die de drager van het beroepsgeheim ernstig doen twijfelen over zijn eigen mogelijkheid om de fysieke en psychische integriteit van de persoon, van derden of van de openbare veiligheid of de veiligheid van de Staat zelf te kunnen beschermen. Het delen van dergelijke gegevens in het kader van een casusoverleg, maakt dat deze indicaties in een ruimer kader van de hulpverlening en van de politionele en gerechtelijke autoriteiten kunnen worden afgetoetst en beter kunnen worden gekaderd. Dit laat de betrokken instanties toe om op de verschillende leefgebieden van de betrokkene, indien nodig, de passende interventies te kunnen doen, in samenspraak met de andere deelnemers aan het casusoverleg, met zicht op het ruimer kader van begeleiding, opvolging of vervolging dat de geheimgerechtigde omkadert. Het casusoverleg laat toe om verschillende puzzelstukjes samen te leggen tot een meer coherent en begrijpelijk geheel » (Parl. St, Kamer, 2016-2017, DOC 54-2259/001, p. 218).

 
Wat meer bepaald de problematiek van radicalisering betreft, preciseert de parlementaire voorbereiding dat het delen van informatie in het kader van het casusoverleg tot doel heeft een « tunnelzicht » te vermijden :
« Een gebrek aan informatie of een ‘ tunnelzicht ’ omdat men enkel op zijn eigen domein werkt, kan leiden tot een foute inschatting van de situatie waardoor het moeilijk is een gepaste beslissing te nemen. Dit is een dagelijks probleem voor elk van de terreinactoren die met deze problematiek worden geconfronteerd » (ibid., p. 224).
B.2.6.3. De uitzondering op het beroepsgeheim waarin artikel 458ter van het Strafwetboek voorziet, bestaat in een spreekrecht en niet in een spreekplicht. De houder van het beroepsgeheim die deelneemt aan een op grond van die bepaling georganiseerd casusoverleg kan, zonder evenwel daartoe te worden verplicht, in het kader van dat overleg informatie onthullen die onder het beroepsgeheim valt. De parlementaire voorbereiding vermeldt :
« Hiertoe wordt benadrukt dat het casusoverleg een spreekrecht invoegt en geen spreekplicht. Dit blijkt duidelijk uit de bewoordingen van het artikel en uit de toelichting. Dergelijk casusoverleg kan maar effectief en constructief zijn ingeval er wederzijds vertrouwen is tussen de deelnemers over elkaars rol en in welk kader dit overleg plaatsgrijpt » (ibid., p. 228).
« Hierbij dient nogmaals te worden onderstreept dat ook artikel 458ter een spreekrecht betreft en geen spreekplicht, waarbij dus de houder van het beroepsgeheim verder de afweging moet maken welke geheimen nuttig kunnen worden meegedeeld in het kader van het overleg » (ibid., p. 229).

B.2.6.4. Zoals blijkt uit de bewoordingen ervan en uit de parlementaire voorbereiding, is artikel 458ter van het Strafwetboek een « kaderbepaling » (ibid., p. 221), waarvan de tenuitvoerlegging een later optreden van de wetgever of van de procureur des Konings vergt. De parlementaire voorbereiding preciseert in dat verband dat artikel 458ter van het Strafwetboek het met name mogelijk maakt om voor de LIVC’s R een wettelijk kader in te voeren :

« De bestaande reglementaire basis voor de Lokale Integrale Veiligheidscellen (LIVCs), meer bepaald de omzendbrief van de minister van Binnenlandse Zaken inzake de Foreign Terrorist Fighters, biedt onvoldoende waarborgen om ook de deelname van houders van een beroepsgeheim mogelijk te maken met het oog op het delen van hun ‘ beroepsgeheim ’, zonder zich schuldig te maken aan een strafbare schending van het beroepsgeheim of het geheim van het onderzoek. Bijgevolg zou deze reglementaire basis best worden aangevuld en onderbouwd met een eenduidig wettelijk kader waarin de doelstelling, samenstelling en werking van de LIVCs wordt bepaald, in uitvoering van artikel 458ter SW » (ibid., p. 225).
B.2.6.5. De wet van 30 juli 2018 voert dat wettelijk kader in voor de LIVC’s R. Zij geeft op die manier uitvoering aan artikel 458ter van het Strafwetboek en staat casusoverleg toe, in het kader van de LIVC’s R, over personen die signalen vertonen van een radicaliseringsproces. De parlementaire voorbereiding vermeldt :
« Om de goede werking van de LIVC’s R te waarborgen is het noodzakelijk gebleken dat er vertrouwelijke informatie kan gedeeld worden, ook door deelnemers van de LIVC R die gebonden zijn door het beroepsgeheim. Artikel 458ter van het Strafwetboek voorziet een uitzondering op de strafbaarheidstelling van de schending van het beroepsgeheim, geregeld in artikel 458 en volgenden van het Strafwetboek, voor bepaalde overlegstructuren. Artikel 5 van voorliggend voorontwerp brengt de LIVC R onder het toepassingsgebied van 458ter van het Strafwetboek. Dit is van belang voor de deelnemers die gebonden zijn aan het beroepsgeheim uit hoofde van hun functie, maar ook voor diegenen die hierdoor niet gebonden zijn. Artikel 458ter, § 2, stelt immers dat de deelnemers tot geheimhouding verplicht zijn wat betreft de tijdens het overleg meegedeelde geheimen.
 
Opdat een LIVC R kan beschouwd worden als een overlegstructuur overeenkomstig artikel 458ter van het Strafwetboek, dient deze te voldoen aan een aantal voorwaarden. Ten eerste moet het overleg worden georganiseerd hetzij bij of krachtens een wet, decreet of ordonnantie, hetzij bij een met redenen omklede toestemming van de procureur des Konings. Bovendien dient deze ten minste te bepalen wie aan het overleg kan deelnemen, met welke finaliteit en volgens welke modaliteiten het overleg zal plaatsvinden. Voorliggend voorontwerp van wet komt tegemoet aan deze voorwaarde. Voor wat betreft de deelnemers die onder de bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten vallen, zullen de deelnemers die kunnen deelnemen aan de LIVC R nader omschreven worden in de decreten of ordonnanties van de respectievelijke gemeenschappen en gewesten.

Artikel 458ter van het Strafwetboek bepaalt daarnaast dat het overleg ‘ uitsluitend [kan] worden georganiseerd, hetzij met het oog op de bescherming van de fysieke en psychische integriteit van de persoon of van derden, hetzij ter voorkoming van de misdrijven bedoeld in Titel Iter van Boek II of van de misdrijven gepleegd in het raam van een criminele organisatie, zoals bepaald in artikel 324bis ’. Gezien de LIVC R, overeenkomstig artikel 2 van voorliggend voorontwerp van wet, tot doelstelling hebben het voorkomen van terroristische misdrijven zoals bedoeld in Titel Iter van Boek II van het Strafwetboek, voldoen zij ook aan deze voorwaarde. Het ‘ voorkomen van terroristische misdrijven ’ moet in ruime zin […] worden opgevat, overeenkomstig de Memorie van Toelichting bij artikel 458ter Strafwetboek.

We bevinden ons immers ook in de hypothese dat er nog geen misdrijven zijn gepleegd, of mogelijkerwijze wel reeds zijn gepleegd, maar de betrokken deelnemer van de LIVC R er niet van op de hoogte is » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3209/001, pp.10-11).
Het feit dat een LIVC R een overlegstructuur is in de zin van artikel 458ter van het Strafwetboek heeft tot gevolg dat een houder van het beroepsgeheim die deelneemt aan de LIVC R, in het kader daarvan informatie kan onthullen die door het beroepsgeheim is gedekt, zonder dat hij het risico loopt om te worden vervolgd voor schending van het beroepsgeheim.
Tot slot bevestigde de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, tijdens de bespreking in de commissie, dat « de deelname aan een LIVC altijd vrijwillig is » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3209/003, p. 14). Een houder van het beroepsgeheim die door de burgemeester wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de LIVC R, blijft dus vrij om al dan niet op die uitnodiging in te gaan. Aangezien artikel 458ter van het Strafwetboek een spreekrecht en geen spreekplicht vastlegt, blijft een houder van het beroepsgeheim, indien hij aanvaardt om deel te nemen aan de LIVC R, vrij om zelf te beslissen of hij al dan niet, in het kader van het overleg, informatie onthult die onder het beroepsgeheim valt.
 
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
Wat betreft het onderwerp van het beroep en de ontvankelijkheid ratione temporis
B.3.1. De Vlaamse Regering betwist de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep. Zij doet gelden dat het beroep tot vernietiging in werkelijkheid gericht is tegen artikel 458ter van het Strafwetboek en dat de termijn van zes maanden om een beroep in te stellen tot vernietiging van die bepaling verstreken is.

B.3.2. Zoals blijkt uit het verzoekschrift tot vernietiging, is het beroep gericht tegen artikel 5 van de wet van 30 juli 2018.
Zoals in B.2.6.4 is vermeld, is artikel 458ter van het Strafwetboek een kaderbepaling, waarvan de tenuitvoerlegging een later optreden van de wetgever of van de procureur des Konings vergt. Wanneer, zoals te dezen, die kaderbepaling ten uitvoer wordt gelegd door een latere wet, verzet niets zich ertegen dat tegen die wet een beroep tot vernietiging wordt ingesteld binnen de voorgeschreven termijn.

 
B.3.3. Aangezien de wet van 30 juli 2018 is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 september 2018 en het beroep tot vernietiging is ingesteld bij verzoekschrift verzonden op 13 maart 2019, is het beroep ontvankelijk ratione temporis.
 
Wat betreft het belang bij het beroep
 
B.4.1. De Ministerraad en de Vlaamse Regering werpen beiden een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, waarbij zij aanvoeren dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het vereiste belang om de vernietiging van de bestreden bepaling te vorderen.
B.4.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.
 
Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.

B.4.3. Volgens haar statuten heeft de vzw « Ligue des droits humains », negende verzoekende partij, tot doel onrecht en elke willekeurige inbreuk op de rechten van een individu of een gemeenschap te bestrijden. Zij verdedigt de beginselen van gelijkheid, vrijheid en humanisme die met name in de Belgische Grondwet en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zijn verankerd.

 
Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding, « brengt [de bestreden bepaling] de LIVC R onder het toepassingsgebied van [artikel] 458ter van het Strafwetboek » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3209/001, p. 10). Ook al is het juist, zoals de Ministerraad en de Vlaamse Regering opmerken, dat de bestreden bepaling tot gevolg heeft dat de verschillende in artikel 458ter van het Strafwetboek voorziene waarborgen op de LIVC R van toepassing worden, toch heeft zij in eerste instantie tot gevolg dat op die grond, in het kader van de LIVC R, het vrijgeven van door het beroepsgeheim gedekte informatie wordt toegestaan. Een vernietiging van de bestreden bepaling zou bijgevolg ertoe leiden dat de uitzondering op het beroepsgeheim waarin artikel 458ter van het Strafwetboek voorziet niet meer van toepassing zou zijn op de LIVC R, zodat een houder van het beroepsgeheim die deelneemt aan de LIVC R niet langer, op die grond, informatie zou kunnen onthullen die gedekt is door het beroepsgeheim. Er kan worden aangenomen dat de bestreden bepaling van dien aard is dat zij het statutair doel van de negende verzoekende partij rechtstreeks en ongunstig kan raken. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, wordt aan die vaststelling geen afbreuk gedaan door het gegeven dat, bij een vernietiging van de bestreden bepaling, een houder van het beroepsgeheim die deelneemt aan de LIVC R er, in voorkomend geval, door het beroepsgeheim gedekte informatie zou kunnen vrijgeven op grond van een andere uitzondering op het beroepsgeheim dan die welke is vastgelegd in artikel 458ter van het Strafwetboek.
 
B.4.4. Uit het voorgaande volgt dat de negende verzoekende partij een belang heeft bij het beroep.
 
Aangezien de negende verzoekende partij een belang heeft bij het beroep, dient het Hof niet te onderzoeken of de andere verzoekende partijen ook doen blijken van het vereiste belang.
 
B.4.5. De excepties van onontvankelijkheid worden verworpen.

Wat de ontvankelijkheid van de middelen betreft

B.5.1. De Vlaamse Regering doet gelden dat het eerste middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet en van artikel 14, in samenhang gelezen met artikel 8, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet uiteenzet in welk opzicht het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou zijn geschonden, zodat het enkel kan worden begrepen als een kritiek op het feit dat een bepaalde categorie van personen ten onrechte het genot van een grondrecht wordt ontnomen, namelijk het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, dat het beroepsgeheim geacht wordt te waarborgen.
Volgens de Vlaamse Regering is het eerste middel, indien de verzoekende partijen een andere draagwijdte eraan willen geven, niet ontvankelijk.
 
B.5.2. Wanneer een verzoekende partij, in het kader van een beroep tot vernietiging, de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met andere bepalingen of met algemene rechtsbeginselen die een fundamentele waarborg bevatten, bestaat het middel erin dat zij van oordeel is dat een verschil in behandeling wordt ingesteld doordat die fundamentele waarborg haar wordt ontnomen door de bepaling die zij met het beroep bestrijdt, terwijl die waarborg voor andere personen onverminderd geldt.
 
Uit de proceduregeschriften van de verzoekende partijen blijkt niet dat zij aan het eerste middel een andere draagwijdte zouden willen geven.
 
Het eerste middel wordt op voldoende duidelijke wijze uiteengezet. Uit de memorie van de Vlaamse Regering blijkt dat zij het eerste middel goed heeft begrepen en dus een dienstig verweer heeft kunnen voeren.
B.5.3. De exceptie wordt verworpen.
B.6.1. De Vlaamse Regering doet gelden dat het tweede onderdeel van het derde middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, niet ontvankelijk is doordat het niet uiteenzet in welk opzicht de bestreden bepaling een verschil in behandeling tussen twee vergelijkbare categorieën van personen zou doen ontstaan.

B.6.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden.

 
Wanneer een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt aangevoerd, moet in de regel worden gepreciseerd welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken en in welk opzicht de bestreden bepaling een verschil in behandeling teweegbrengt dat discriminerend zou zijn.
 
Uit het verzoekschrift tot vernietiging blijkt voldoende dat in het tweede onderdeel van het derde middel het verschil in behandeling wordt bekritiseerd tussen houders van het beroepsgeheim naargelang zij al dan niet door de burgemeester worden uitgenodigd om deel te nemen aan de LIVC R. De verzoekende partijen voeren aan dat alleen de eerste categorie van houders van het beroepsgeheim de gevolgen moet ondergaan van de uitzondering op het beroepsgeheim die uit de bestreden bepaling volgt.
 
Bovendien blijkt uit de memorie van de Vlaamse Regering dat zij het tweede onderdeel van het derde middel goed heeft begrepen en dus een dienstig verweer heeft kunnen voeren.
 
B.6.3. De exceptie wordt verworpen.
B.7.1. De Vlaamse Regering en de Ministerraad doen gelden dat sommige grieven die de verzoekende partijen opwerpen in het kader van het eerste en het derde middel geen verband houden met de bestreden bepaling. Zij zijn van mening dat zulks het geval is voor de grief met betrekking tot de bevoegdheid die aan de burgemeester is toevertrouwd om de personen te bepalen die hij zal uitnodigen om deel te nemen aan de LIVC R, en voor de grief met betrekking tot de onduidelijkheid van het begrip « aanwijzingen dat [casussen] zich bevinden in een radicaliseringsproces bedoeld in artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten », die respectievelijk betrekking zouden hebben op de artikelen 3, § 1, en 3, § 2, van de wet van 30 juli 2018. Volgens de Vlaamse Regering is dat ook het geval voor de grief betreffende het ontoereikende karakter van de waarborgen die worden geboden door artikel 458ter van het Strafwetboek, die betrekking zou hebben op die laatste bepaling. Volgens de Ministerraad is dat eveneens het geval voor de grief betreffende de mogelijkheid dat informatie die besproken is in het kader van de LIVC R wordt meegedeeld aan de vertegenwoordigers van de diensten bedoeld in artikel 44/11/3ter, § 1, van de wet van 5 augustus 1992 « op het politieambt », die bevoegd zijn voor de geografische zone van de betrokken LIVC R, grief die betrekking zou hebben op artikel 4 van de wet van 30 juli 2018.
 
B.7.2. Zoals de verzoekende partijen doen gelden, moeten die grieven worden onderzocht in het licht van de mogelijkheid, die aan de houders van het beroepsgeheim wordt toegekend, om in het kader van de LIVC R door het beroepsgeheim gedekte informatie te onthullen, mogelijkheid die voortvloeit uit de bestreden bepaling. Het onderzoek van de ontvankelijkheid van die grieven is bijgevolg verbonden met het onderzoek ten gronde.
Ten gronde
Wat betreft het eerste middel
B.8. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door artikel 5 van de wet van 30 juli 2018, van artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 16 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, met de artikelen 10, 11 en eventueel artikel 191 van de Grondwet, en, wat betreft artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 14 van hetzelfde Verdrag.
In het eerste onderdeel van het middel doen de verzoekende partijen gelden dat de bestreden bepaling een onevenredige inmenging vormt in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de personen die geheimen toevertrouwen aan houders van het beroepsgeheim.

In het tweede onderdeel van het middel doen de verzoekende partijen gelden dat het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven ook het beroepsleven beschermt en dat de bestreden bepaling een onevenredige inmenging vormt in het beroepsleven van de houders van het beroepsgeheim die deelnemen aan de LIVC R.
De twee onderdelen van het middel dienen samen te worden onderzocht.

B.9.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt :
« Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.
De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».
Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :
« 1. Een ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».
 
Artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt :
« 1. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam.
2. Eenieder heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting ».
Artikel 16 van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt :

« 1. Geen enkel kind mag worden onderworpen aan willekeurige of onrechtmatige inmenging in zijn privéleven, in zijn gezinsleven, zijn huis of zijn briefwisseling, noch aan enige onrechtmatige aantasting van zijn eer en goede naam.

 
2. Het kind heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting ».
B.9.2. De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2).
De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen.
 
B.9.3. Het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd in de voormelde grondwets- en verdragsbepalingen, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven. Dat recht heeft een ruime draagwijdte. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens doet ervan blijken dat, onder meer, de volgende gegevens en informatie betreffende personen vallen onder de bescherming van dat recht : de naam, het adres, de professionele activiteiten, de persoonlijke relaties, digitale vingerafdrukken, camerabeelden, foto’s, communicatiegegevens, DNA-gegevens, gerechtelijke gegevens (veroordeling of verdenking), financiële gegevens en informatie over bezittingen (zie onder meer EHRM, 26 maart 1987, Leander t. Zweden, §§ 47-48; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, §§ 66-68; 17 december 2009, B.B. t. Frankrijk, § 57; 10 februari 2011, Dimitrov-Kazakov t. Bulgarije, §§ 29-31; 18 oktober 2011, Khelili t. Zwitserland, §§ 55-57; 18 april 2013, M.K. t. Frankrijk, § 26; 18 september 2014, Brunet t. Frankrijk, § 31).
 
B.9.4. De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden gewaarborgd, zijn evenwel niet absoluut. Zij sluiten een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereisen dat zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge
verhoudingen tussen individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; grote kamer, 12 november 2013, Söderman t. Zweden, § 78).
 
B.9.5. Een houder van het beroepsgeheim moet in principe elke vertrouwelijke mededeling die is verkregen in de omstandigheden vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek, geheimhouden. Dat artikel bepaalt :
« Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet, het decreet of de ordonnantie hen verplicht of toelaat die geheimen bekend te maken, worden gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en een geldboete van honderd euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen ».
De geheimhoudingsplicht, die door de wetgever aan de houder van het beroepsgeheim is opgelegd, heeft hoofdzakelijk tot doel het fundamentele recht op eerbiediging van het privéleven te beschermen van diegene die iemand in vertrouwen neemt, soms over iets heel persoonlijks. Daarenboven is de inachtneming van het beroepsgeheim de conditio sine qua non voor het instellen van een vertrouwensband tussen de houder van het geheim en de persoon die iemand in vertrouwen neemt. Die vertrouwensband maakt het voor de houder van het beroepsgeheim mogelijk de persoon die hem in vertrouwen neemt op dienstige wijze bijstand te verlenen.
 
B.9.6. Het beroepsgeheim is niet absoluut.
Buiten de gevallen die zijn vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek en behoudens het spreekrecht dat hem wordt toegekend in de gevallen die zijn opgesomd in artikel 458bis, kan de houder van het beroepsgeheim bij uitzondering niet gehouden zijn door zijn geheimhoudingsplicht, door zich te beroepen op de noodtoestand.
 
Noodtoestand is de toestand waarin een persoon zich bevindt die, gelet op de respectieve waarde van de tegen elkaar indruisende plichten en gelet op het bestaan van een ernstig en dreigend gevaar voor anderen, redenen heeft om te oordelen dat hem ter vrijwaring van een hoger belang dat hij verplicht of gerechtigd is vóór alle andere belangen te beschermen, geen andere weg openstaat dan de hem ten laste gelegde feiten te plegen (o.a. Cass., 13 mei 1987, Arr. Cass., 1986-1987, nr. 535; 28 april 1999, P.98.1596.F; 13 november 2001, P.00.0366.N; 24 januari 2007, P.06.1399.F).
B.10. Zoals in B.2.6 is vermeld, voorziet artikel 458ter van het Strafwetboek, dat door de bestreden bepaling toepasselijk wordt gemaakt op de LIVC R, in een nieuwe uitzondering op het beroepsgeheim, om casusoverleg mogelijk te maken.
 
In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen beweren, beogen die bepalingen niet de jurisprudentiële figuur van het gedeelde beroepsgeheim ten uitvoer te leggen. Bij de uitwerking van artikel 458ter van het Strafwetboek onderstreepte een lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers immers « dat het strikt genomen niet gaat om een gedeeld beroepsgeheim » en dat « die terminologie verwijst naar een andere rechtsfiguur » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2259/008, p. 94). Ter verduidelijking van dat punt werd amendement nr. 65 aangenomen (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2259/003, p. 110), dat ertoe strekte, in het opschrift van het wetsontwerp betreffende het nieuwe artikel 458ter van het Strafwetboek, de woorden « teneinde een gedeeld beroepsgeheim in te stellen » te vervangen door de woorden « inzake het meedelen van geheimen » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2259/008, p. 131). Dat amendement nr. 65 werd als volgt verantwoord :
 
« Uit de hoorzittingen en de aansluitende besprekingen is gebleken dat de titel van het wetsontwerp reeds aanleiding geeft tot verwarring omtrent het eigenlijke opzet van deze bepalingen.
 
De intentie tot het inrichten van een casusoverleg tijdens hetwelk geheimen onder de deelnemers kunnen worden gedeeld, staat los van de huidige jurisprudentiële figuur van het ‘ gedeeld beroepsgeheim ’. Deze laatste heeft immers betrekking op het delen van geheimen tussen dragers van een beroepsgeheim die eenzelfde finaliteit nastreven.
 
Het casusoverleg daarentegen wil dragers van een beroepsgeheim, die niet noodzakelijk een zelfde finaliteit nastreven, de mogelijkheid bieden om bepaalde geheimen mee te delen in het kader van een duidelijk omschreven overlegstructuur, waaraan ook personen die geen beroepsgeheim kennen kunnen deelnemen.
Dit amendement strekt ertoe elke dubbelzinnigheid uit het opschrift van deze titel te weren » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2259/003, p. 110).
 
B.11. Krachtens de bestreden bepaling mag een houder van het beroepsgeheim die instemt met een deelname aan de LIVC R, in het kader daarvan informatie onthullen die gedekt is door het beroepsgeheim.

Er dient bijgevolg te worden geverifieerd of de inmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven die die uitzondering op het beroepsgeheim impliceert, wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, of zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en of zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling.

B.12.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bewoordingen « casussen waarvoor er aanwijzingen bestaan dat zij zich bevinden in een radicaliseringsproces bedoeld in artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten » niet voldoende precies zijn, zodat de voorwaarde volgens welke de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven moet worden toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling niet in acht zou zijn genomen.
B.12.2. Artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten definieert het radicaliseringsproces als « een proces waarbij een individu of een groep van individuen op dusdanige wijze wordt beïnvloed dat dit individu of deze groep van individuen mentaal gevormd wordt of bereid is tot het plegen van terroristische handelingen ».
 
Bij zijn arrest nr. 145/2011 van 22 september 2011 heeft het Hof geoordeeld dat die definitie voldoet aan het wettigheidsbeginsel van artikel 22 van de Grondwet :
« B.96.3. Met het begrip ‘ radicaliseringsproces ’, gelezen in samenhang met het begrip ‘ terrorisme ’, wordt aldus verwezen naar de fase die voorafgaat aan het plegen van terroristische handelingen. In het bijzonder wordt met proces van radicalisering een voorbereidend proces van manipulatie of wilsbeïnvloeding geviseerd, waarbij veiligheidsrisico’s ontstaan. Artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 geeft op duidelijke wijze aan dat dit een proces betreft, bestaande in beïnvloeding op dusdanige wijze dat betrokkene mentaal gevormd wordt of bereid is tot het plegen van terroristische handelingen. De bevoegdheid om uitzonderlijke inlichtingenmethoden aan te wenden in het geval van een ernstige bedreiging die betrekking heeft op een activiteit in verband met het radicaliseringsproces, is gesitueerd in het preventief optreden tegen terrorisme.
 
B.97. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat geen afbreuk wordt gedaan aan de wettigheidsvereiste van artikel 22 van de Grondwet.
De grief is niet gegrond ».

Aangezien de LIVC’s R, zoals in B.2.2 is vermeld, eveneens passen binnen het preventief optreden tegen terrorisme, dient te worden besloten, om identieke redenen als die welke zijn uiteengezet in het voormelde arrest nr. 145/2011, dat het begrip « casussen waarvoor er aanwijzingen bestaan dat zij zich bevinden in een radicaliseringsproces bedoeld in artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten » voldoende precies is om te voldoen aan het wettigheidsbeginsel dat is verankerd in artikel 22 van de Grondwet.

 
B.13. Met de bestreden bepaling streeft de wetgever ernaar terrorisme en radicalisering te bestrijden. Die doelstelling is onbetwistbaar in overeenstemming met een dwingende maatschappelijke behoefte.
 
B.14.1. De mogelijkheid die wordt toegekend aan een houder van het beroepsgeheim die ingaat op de uitnodiging van de burgemeester om deel te nemen aan de LIVC R, om in het kader daarvan informatie te onthullen die gedekt is door het beroepsgeheim, wordt omringd met meerdere waarborgen die voortvloeien uit een gecombineerde toepassing van artikel 458ter van het Strafwetboek en de wet van 30 juli 2018 :
- zoals in B.2.6.3 is vermeld, beschikt een houder van het beroepsgeheim die deelneemt aan de LIVC R over een spreekrecht maar is hij niet gehouden tot een spreekplicht. Het staat hem vrij al dan niet in te gaan op de uitnodiging van de burgemeester om deel te nemen aan de LIVC R en, bij deelname, is hij vrij om er al dan niet informatie te onthullen die gedekt is door het beroepsgeheim;
 
- volgens artikel 458ter, § 2, eerste lid, van het Strafwetboek zijn alle deelnemers aan de LIVC R tot geheimhouding verplicht wat betreft de door het beroepsgeheim gedekte informatie die in het kader daarvan wordt onthuld;
 
- volgens artikel 4, § 2, van de wet van 30 juli 2018 is, voor het doorgeven, na de bespreking van een casus binnen de LIVC R, van een terugkoppelingsfiche aan de vertegenwoordigers van de diensten bedoeld in artikel 44/11/3ter, § 1, van de wet van 5 augustus 1992 « op het politieambt » die bevoegd zijn voor de geografische zone van de betrokken LIVC R, een goedkeuring bij consensus vereist door alle effectief deelnemende leden van de LIVC R. Bovendien mag die terugkoppelingsfiche geen door het beroepsgeheim gedekte informatie bevatten die tijdens het overleg wordt onthuld;
 
- volgens artikel 4, § 3, van de wet van 30 juli 2018, « [wordt] de verwerking van persoonsgegevens van de personen voorgedragen in een LIVC R overeenkomstig artikel 3, § 2, […] niet toegestaan, behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald ». Zoals de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken preciseerde tijdens de bespreking in de commissie, dient dat artikel in die zin te worden begrepen « dat het verboden zal zijn iemand in een gegevensbank te registreren, louter op grond van het feit dat zijn geval binnen een LIVC R is besproken » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3209/003, p. 14).
 
B.14.2. Daarnaast is de aan de burgemeester toevertrouwde bevoegdheid om de personen te bepalen die hij uitnodigt tot deelname aan de LIVC R redelijk verantwoord, gelet op de noodzaak om rekening te houden met de diversiteit van lokale situaties :
 
« De samenstelling van een LIVC R kan variëren naargelang de specificiteit van de gemeente. Deze zal bijvoorbeeld beïnvloed worden door de omvang van het grondgebied, de criminaliteitsgraad en -vormen, de aanwezige infrastructuur, bestaande projecten, … Binnen eenzelfde gemeente kan de samenstelling van de LIVC R bovendien aangepast worden aan de besproken casus. Zo is het bijvoorbeeld niet nodig dat een leerkracht bij elke vergadering aanwezig is indien er geen minderjarigen van de betrokken scholengroep besproken worden. Leden die regelmatig in – voor hen – irrelevante LIVC’s R moeten zetelen, kunnen hierdoor afhaken. Dit komt de werking van de LIVC’s R niet ten goede. Er moet rekening gehouden worden met de verschillen in de lokale realiteit. Zowel de verschillen in problematieken waarmee elke gemeente geconfronteerd wordt als de aard van de individuele dossiers die in een concreet overleg besproken worden, vragen voldoende flexibiliteit in de samenstelling van een LIVC R.
Het is dan ook aan de burgemeester om de overige deelnemers van een LIVC R uit de nodigen » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3209/001, p. 7).
 
B.14.3. Tot slot betekent de omstandigheid dat er andere gevallen bestaan waarin het beroepsgeheim kan worden opgeheven, bijvoorbeeld wanneer aan de voorwaarden van de noodtoestand is voldaan, niet dat de bestreden bepaling niet noodzakelijk is om de doelstelling van bestrijding van terrorisme en radicalisering te bereiken. De wetgever heeft de invoering van een nieuwe uitzondering op het beroepsgeheim verantwoord door het feit dat « de noden van het terrein en de maatschappelijke evoluties […] duidelijk [aangeven] dat er nood is aan een wetgevend initiatief dat het mogelijk maakt om een overleg te organiseren waar nodig » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2259/001, p. 230). Daaruit blijkt dat de andere uitzonderingen op het beroepsgeheim, waarin is voorzien voor specifieke gevallen en die aan precieze voorwaarden moeten voldoen, het in het verleden niet mogelijk hebben gemaakt de nagestreefde doelstelling te bereiken. De wetgever vermocht dus redelijkerwijs van mening te zijn dat de bestreden bepaling noodzakelijk is om de strijd tegen terrorisme en radicalisering te verzekeren.
 
B.14.4. Rekening houdend met het voorgaande is de mogelijkheid die aan een houder van het beroepsgeheim die ingaat op de uitnodiging van de burgemeester om deel te nemen aan de LIVC R wordt toegekend om in het kader daarvan informatie te onthullen die gedekt is door het beroepsgeheim, evenredig met de nagestreefde doelstelling.
 
B.15. Het eerste middel is niet gegrond.
 
Wat betreft het tweede middel
 
B.16. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, door artikel 5 van de wet van 30 juli 2018.
Zij betogen dat de bestreden bepaling de vertrouwensband tussen de houders van het beroepsgeheim van wie het optreden noodzakelijk is voor de uitvoering van de economische, sociale en culturele rechten en diegenen welke die rechten genieten, aantast. Dat zou resulteren in een toename van het fenomeen van het niet-opnemen van rechten, dat wil zeggen van de gevallen waarin de personen die economische, sociale en culturele rechten genieten eraan verzaken die rechten te doen gelden, terwijl zij de voorwaarden vervullen om aanspraak erop te maken.
 
B.17. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de onderscheiden wetgevers, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening ervan bepalen. Artikel 23 van de Grondwet preciseert niet wat die rechten, waarvan enkel het beginsel wordt uitgedrukt, impliceren, waarbij elke wetgever ermee is belast die rechten te waarborgen, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten.
 
Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.
 
B.18. Zonder dat het nodig is te onderzoeken of de bestreden bepaling een fenomeen van het niet-opnemen van rechten met zich zou meebrengen, noch of dat fenomeen tot een aanzienlijke achteruitgang leidt van het beschermingsniveau van de bij artikel 23 van de Grondwet vastgelegde rechten, volstaat de vaststelling dat de bestreden bepaling wordt verantwoord door redenen die verband houden met het algemeen belang, namelijk de bestrijding van terrorisme en radicalisering.
 
B.19. Het tweede middel is niet gegrond.
 
Wat betreft het derde middel
 
B.20. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door artikel 5 van de wet van 30 juli 2018.
In het eerste onderdeel van het middel bekritiseren de verzoekende partijen de bestreden bepaling, in zoverre zij een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling in het leven zou roepen tussen, enerzijds, de personen die houders van het beroepsgeheim in vertrouwen nemen die zijn uitgenodigd om deel te nemen aan de LIVC R en die erin toestemmen er informatie te onthullen die gedekt is door het beroepsgeheim en, anderzijds, de personen die houders van het beroepsgeheim in vertrouwen nemen die niet zijn uitgenodigd om deel te nemen aan de LIVC R of die de uitnodiging weigeren. Volgens de verzoekende partijen ondergaat alleen de eerste categorie van personen de gevolgen van de uitzondering op het beroepsgeheim waarin de bestreden bepaling voorziet.
In het tweede onderdeel van het middel bekritiseren de verzoekende partijen de bestreden bepaling, in zoverre zij een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling in het leven zou roepen tussen de houders van het beroepsgeheim die door de burgemeester worden uitgenodigd om deel te nemen aan de LIVC R en die welke niet daartoe worden uitgenodigd. Volgens de verzoekende partijen ondergaat alleen de eerste categorie van houders van het beroepsgeheim de gevolgen van de uitzondering op het beroepsgeheim waarin de bestreden bepaling voorziet.
 
De twee onderdelen van het middel dienen samen te worden onderzocht.
 
B.21. Zoals de Ministerraad en de Vlaamse Regering erop wijzen, vloeien de door de verzoekende partijen bekritiseerde verschillen in behandeling niet voort uit de bestreden bepaling, maar uit de uitoefening, door de burgemeester, van de hem toegekende bevoegdheid om personen uit te nodigen tot deelname aan de LIVC R en uit de individuele beslissing van iedere houder van het beroepsgeheim die is uitgenodigd om deel te nemen aan de LIVC R, waaraan inherent een spreekrecht is verbonden, om al dan niet deel te nemen aan de LIVC R en al dan niet, in het kader daarvan, informatie te onthullen die is gedekt door het beroepsgeheim.
Voor het overige is, zoals in B.14.2 is vermeld, de aan de burgemeester toevertrouwde bevoegdheid om de personen te bepalen die hij uitnodigt om deel te nemen aan de LIVC R redelijk verantwoord, gelet op de noodzaak om rekening te houden met de diversiteit van lokale situaties.
 
B.22. Het derde middel is niet gegrond.
 
Om die redenen,
 
het Hof
 
verwerpt het beroep.
 
Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 1 april 2021.
 
De griffier, De voorzitter,
F. Meersschaut F. Daoût