Print

Raad van State - Arrest nr. 248.629 van 16 oktober 2020 - Beroep tot nietigverklaring - Lokaal personeel

Rechtbank/Hof
Raad van State
Arrestnummer
248.629
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
vrijdag 16 oktober 2020
Samenvatting
 
De Raad van State vernietigt de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn van de stad Ninove van 27 december 2017 om de beëindiging van de beheersovereenkomst tussen de stad en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te bevestigen en de toepassing van artikel 6 met ingang van 1 januari 2018 op te heffen, en om daartoe de overeenkomst tussen de stad en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn goed te keuren.
 
Het beroep tot nietigverklaring wordt afgewezen ten aanzien van de volgende bestreden beslissingen:
 
de beslissing van de gemeenteraad van de Stad Ninove van 26 oktober 2017;
de beslissing van de OCMW-raad van Ninove van 6 december 2017;
de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 28 november 2017 evenals de beslissing van de gemeenteraad van de Stad Ninove van 13 december 2017;
de beslissing van de gouverneur van de Provincie Oost-Vlaanderen van 5 april 2018.
 
De opzegging door de eerste en de tweede verwerende partij van de beheersovereenkomst van 5 januari 2018 tegen 30 april 2018 gaat kennelijk terug op de evaluatie ervan op 17 oktober 2017. Met de OCMW-raadsbeslissing van 27 december 2017 gaat de tweede verwerende partij een stap verder. Meer bepaald gaat met die beslissing de OCMW-raad in op het verzoek van de gemeenteraad van 13 december 2017 om, wat artikel 6 van de beheersovereenkomst betreft, deze overeenkomst in afwijking van artikel 12.3 eerder te beëindigen dan na een opzegtermijn tegen 30 april 2018, meer bepaald op 1 januari 2018. De OCMW-raadsbeslissing leidt tot een nieuwe, 28 december 2017 gedateerde, „Overeenkomst stad en OCMW betreffende de voortijdige beëindiging‟ en brengt mee dat vanaf 1 januari 2018 een einde wordt gesteld aan de terbeschikkingstelling van de OCMW-secretaris aan de stad.
 
In zijn beslissing laat de OCMW-raad er geen twijfel over dat hij in essentie niets meer heeft gedaan dan akte nemen van de wil van de stad om een einde te stellen aan de terbeschikkingstelling van verzoekster vanaf 1 januari 2018, om deze wil vervolgens uit opportuniteitsoverwegingen bij te vallen. Naar de OCMW-raad oordeelt, staat niets dat in de weg omdat partijen altijd in onderlinge overeenstemming kunnen afwijken van eerdere overeenkomsten. In de beslissing wordt uitdrukkelijk aangegeven dat ze “geen uitstaans heeft met de persoonlijke gedragingen van de secretaris” en losstaat van enige evaluatie van de secretaris, die moet gebeuren op grond van een evaluatieprocedure.
 
Dat partijen in onderlinge overeenstemming in principe steeds kunnen afwijken van eerdere overeenkomsten, sluit niet uit dat wanneer een overheid wenst te beslissen om met een nieuwe overeenkomst van een eerdere af te wijken, zij daarvoor over een voldoende draagkrachtige reden dient te beschikken.
 
De beslissing van de OCMW-raad van 27 december 2017 is erop gericht om de modaliteiten van verzoeksters terbeschikkingstelling te wijzigen en af te doen aan de waarborgen die zij ter zake aan de initieel gesloten beheersovereenkomst ontleent, meer bepaald wat de duur van de terbeschikkingstelling betreft.
 
Het motief dat de OCMW-raad met zijn beslissing in wezen alleen maar de stad Ninove ter wille wenst te zijn, is daartoe ontoereikend.
 
Dat is des te meer het geval omdat de vraag van de stad van 13 december 2017 is ingegeven door ontevredenheid over en een negatieve appreciatie van verzoeksters gedragingen, die juist bij uitstek ter beoordeling van het OCMW staan.
 
Blijkens de vraag van de gemeenteraad van 13 december 2017 zou de houding van verzoekster uitwijzen dat zij “niet langer het vertrouwen kan genieten om [haar] de volledige overgangsperiode de leiding te laten blijven nemen over het personeel van de stad”. Voorts meent de stad dat verzoekster er zich jegens haar “niet over kan beklagen dat de (onmiddellijke) stopzetting van de beheerovereenkomst en de terbeschikkingstelling haar grondslag vindt in een beoordeling en beslissing die losstaat van enige formele evaluatieprocedure”, nu “de stad niet de juridische werkgever is van de secretaris” en “de evaluatie- en tuchtbevoegdheid toekomt aan het OCMW en niet aan de stad”.
 
Geeft de gemeenteraad hiermee genoegzaam aan dat, en waarom, zij verzoeksters terbeschikkingstelling beëindigd wil zien op 1 januari 2018, het is bepaald onvoldoende ter verantwoording dat het OCMW zich daar zonder meer bij aansluit. Anders dan de gemeente is het OCMW wél verzoeksters werkgever en vermag hij, op grond van artikel 4.4 van de beheersovereenkomst en ook van artikel 139bis van de rechtspositieregeling van het OCMW-personeel, wél verzoekster te evalueren. Meer bepaald dragen die bepalingen de evaluatie van een ter beschikking gesteld personeelslid uitdrukkelijk en exclusief op aan “het eigen bestuur”.
 
Uit wat voorafgaat, volgt dat de OCMW-raad verkeerdelijk van mening is dat zijn beslissing “geen uitstaans heeft met de persoonlijke gedragingen van de secretaris” en dat hij de vraag van de eerste verwerende partij van 13 december 2017 blindweg mocht inwilligen – “zonder zich daarom [haar] motieven te moeten eigen maken of er zich te moeten over uitspreken”. De beslissing van de OCMW-raad berust niet op behoorlijk vastgestelde, draagkrachtige motieven.
Tekst arrest
 
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
 
Xe KAMER
 
ARREST
 
nr. 248.629 van 16 oktober 2020
in de zaak A. 225.316/X-17.248
 
In zake: Carine COPPENS
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Pascal Lahousse
kantoor houdend te 2800 Mechelen
Leopoldstraat 64
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
1. de STAD NINOVE
2. het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN NINOVE
3. het VLAAMSE GEWEST
4. de VLAAMSE GEMEENSCHAP
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Tom De Sutter
kantoor houdend te 9000 Gent
Koning Albertlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
 
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 28 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van:
“- [1] De beslissing van de gemeenteraad van de Stad Ninove van 26 oktober 2017 tot beëindiging van de beheersovereenkomst met een opzeggingstermijn van zes maanden (tot en met 30 april 2018) en tot opheffing, eveneens met ingang van 30 april 2018, van de besluiten van de gemeenteraad van 19 juni 2014 en 23 oktober 2014 met betrekking tot de aanstelling van verzoekster als stadssecretaris met ingang van 30 april 2018, „behoudens andersluidende overeenkomst met het 0CMW‟ […];
- [2] De beslissing van de OCMW-raad van Ninove van 6 december 2017 tot goedkeuring van de beëindiging van de beheersovereenkomst met een opzeggingstermijn van zes maanden (tot en met 30 april 2018) en tot opheffing, eveneens met ingang van 30 april 2018, van de besluiten van de OCMW-raad van 9 september 2014 en 10 december 2014 aangaande de terbeschikkingstelling van verzoekster als stadssecretaris, „behoudens andersluidende overeenkomst met de stad‟ […]; - [3] De beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 28 november 2017 […] evenals de gemeenteraad van de Stad Ninove van 13 december 2017 waarbij de beëindiging van de beheersovereenkomst wordt bevestigd en de toepassing van artikel 6 van de beheersovereenkomst met ingang van 1 januari 2018 wordt opgeheven […]; - [4] De beslissing van de OCMW-raad van Ninove van 27 december 2017 waarbij de beëindiging van de beheerovereenkomst wordt bevestigd en de toepassing van artikel 6 van de beheersovereenkomst met ingang van 1 januari 2018 wordt opgeheven […]; - [5] De beslissing van de gouverneur van de Provincie Oost-Vlaanderen, dd. 5 april 2018, ontvangen door de raadsman van verzoekster per aangetekend schrijven op 9 april 2018, om niet op te treden in het raam van het bestuurlijk toezicht […] betreffende de door mevr. Carine Coppens ingediende klachten, in toepassing van artikel 255, §4 Gemeentedecreet en 258, §4 van het OCMW-decreet.”
 
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld.
 
Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend.
 
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september 2020.
Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord.
 
Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven.
 
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
 
III. Feiten
 
3. Verzoekster is sinds 1 april 1988 secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van de stad Ninove.
 
Op 9 september 2014 stemt de raad voor maatschappelijk welzijn van Ninove (OCMW-raad) ermee in dat de OCMW-secretaris vanaf 1 januari 2015 ook het ambt van stadssecretaris uitoefent. Nadere modaliteiten zullen worden opgenomen in een beheersovereenkomst tussen het OCMW en de stad. Eerder, op 19 juni 2014, besliste ook al de gemeenteraad van de stad Ninove om, in principe, het ambt van stadssecretaris vanaf 1 januari 2015 door de OCMW-secretaris te laten invullen. Deze beslissing wordt door de gemeenteraad op 23 oktober 2014 bevestigd.
 
Op 5 januari 2015 wordt door de stad en het OCMW een beheersovereenkomst ondertekend met als motto “efficiënter beheer van de middelen door samenwerking”.
 
Artikel 4 ervan betreft de „Rechtspositieregeling, arbeidsreglement en ter beschikking stelling‟:
 
“[…] 4.3. De stad en het OCMW kunnen aan elkaar personeel ter beschikking stellen. De voorwaarden en de duur van de terbeschikkingstelling evenals de aard van de opdracht moet worden vastgesteld in een geschrift, goedgekeurd door de gemeenteraad en ondertekend door de stad, het OCMW en het personeelslid nog voor het begin van de terbeschikkingstelling. 4.4. Het werkgeversgezag van het ter beschikking gesteld personeel blijft bij het eigen tewerkstellend bestuur berusten. […] Het ter beschikking gestelde personeel wordt geëvalueerd door het eigen bestuur op basis van een verslag van het bestuur waaraan het ter beschikking gesteld is. […].”
 
Artikel 6, „Eenheid in ambtelijke aansturing via één algemeen secretaris voor stad en OCMW‟, bepaalt dat de stad en het OCMW met één secretaris werken en dat de OCMW-secretaris voor de bijkomende invulling van het ambt van stadssecretaris een toeslag krijgt “zoals voorzien in de rechtspositieregeling”. De toeslag is ten laste van de stad.
 
Artikel 12, „Inwerkingtreding, duur en opzegmodaliteiten‟, luidt:
 
“12.1. Deze beheersovereenkomst gaat in op 1 januari 2015. 12.2. De stad en het OCMW komen overeen dat de onderhavige beheersovereenkomst van onbepaalde duur is. 12.3. Beide besturen kunnen de onderhavige beheersovereenkomst te allen tijde opzeggen, met inachtneming van een opzegtermijn van 6 maanden.”
 
Volgens artikel 13, „Evaluatie en aanpassing‟, is er een jaarlijkse evaluatie en bijsturing van de beheersovereenkomst door het gemeenschappelijk managementteam en de stuurgroep, kan de overeenkomst worden aangevuld, aangepast of gewijzigd door een schriftelijke bijlage, kan elke partij de andere partij schriftelijk verzoeken de overeenkomst te wijzigen, en behoeft de wijziging de goedkeuring van beide raden.
 
4.1. Op 26 oktober 2017 besluit de gemeenteraad dat de beëindiging van de beheersovereenkomst wordt goedgekeurd en dat de opzeggingstermijn van zes maanden loopt van 1 november 2017 tot 30 april 2018. “Voor de duidelijkheid van het rechtsverkeer” wordt tevens besloten om de gemeenteraadsbeslissingen van 19 juni 2014 en 23 oktober 2014 met betrekking tot de terbeschikkingstelling van verzoekster als stadssecretaris op te heffen met ingang van 30 april 2018 “behoudens andersluidende overeenkomst met het OCMW”. In de formele motivering wordt onder meer verwezen naar de evaluatie van de beheersovereenkomst op 17 oktober 2017 door de stuurgroep en de leden van beide managementteams.
4.2. De OCMW-raad neemt op 6 december 2017 kennis van de gemeenteraadsbeslissing van 26 oktober 2017 en keurt op zijn beurt de beëindiging van de beheersovereenkomst goed, met een opzeggingstermijn die loopt van1 november 2017 tot 30 april 2018. Ook besluit de OCMW-raad zijn beslissing tot terbeschikkingstelling van de OCMW-secretaris als stadssecretaris op te heffen met ingang van 30 april 2018 “behoudens andersluidende overeenkomst met de stad”.
 
5.1. Zoals op 28 november 2017 door het college van burgemeester en schepenen voorgesteld, beslist de gemeenteraad op 13 december 2017 om de beëindiging van de beheersovereenkomst te bevestigen en om de toepassing van artikel 6 met ingang van 1 januari 2018 op te heffen. Met het oog daarop wordt een bijgevoegde overeenkomst tussen de stad en het OCMW goedgekeurd.
 
Geargumenteerd wordt onder meer dat er zich diverse incidenten hebben voorgedaan “waaruit blijkt dat de secretaris, niet langer het vertrouwen kan genieten om de volledige overgangsperiode de leiding te laten blijven nemen over het personeel van de stad” en dat “de concrete omstandigheden en de houding van de secretaris ertoe nopen om de terbeschikkingstelling van de secretaris door het OCMW aan de stad vervroegd te beëindigen, meer bepaald vanaf 01 januari 2018”. Overwogen wordt onder andere ook: “dat de evaluatie van een personeelslid, zo ook deze van de secretaris, gebeurt op grond van een evaluatieprocedure;
 
dat de voorliggende beslissing los staat van een dergelijke evaluatieprocedure; dat de stad gerechtigd is om los van enige formele evaluatieprocedure de samenwerking met een ter beschikking gesteld personeelslid te beoordelen en desgevallend een einde te stellen aan de precaire terbeschikkingstelling; dat de stad niet de juridische werkgever is van de secretaris; dat de secretaris nog steeds een personeelslid is van het OCMW; dat de evaluatie- en tuchtbevoegdheid toekomt aan het OCMW en niet aan de stad; dat de secretaris in het kader van de voorliggende beslissing zich er dan ook niet over kan beklagen dat de (onmiddellijke) stopzetting van de beheerovereenkomst en de terbeschikkingstelling haar grondslag vindt in een beoordeling en beslissing die losstaat van enige formele evaluatieprocedure.”
 
5.2. Op 27 december 2017 besluit de OCMW-raad de beëindiging van de beheersovereenkomst te bevestigen en met ingang van 1 januari 2018 de toepassing van artikel 6 op te heffen. Daartoe wordt een bijgevoegde overeenkomst goedgekeurd.
 
De OCMW-raad overweegt dat het ter beschikking stellen van de OCMW-secretaris aan de stad een gunst was en dat met de gemeenteraadsbeslissing van 13 december 2017 de stad het signaal geeft niet langer deze gunst te willen genieten, dat de OCMW-raad kennis neemt van de motivering van de gemeenteraad en dat hij kan instemmen met de overeenkomst tot voortijdige beëindiging van de terbeschikkingstelling van de secretaris “zonder zich daarom deze motieven te moeten eigen maken of er zich te moeten over uitspreken”. Er kan, volgens de OCMW-raad, bij overeenkomst tussen partijen een voortijdig einde worden gesteld aan de terbeschikkingstelling van de secretaris; de wilsovereenstemming van beide partijen volstaat daartoe.
 
Geoordeeld wordt nog “dat de voorliggende beslissing enkel beoogt een overeenkomst te sluiten met de stad naar aanleiding van de vraag van de gemeenteraad om de terbeschikkingstelling van de secretaris voortijdig te beëindigen”, “dat de wil van het OCMW om daarmee in te stemmen teneinde zelf terug voltijds een beroep te kunnen doen op de secretaris een loutere opportuniteitsbeslissing betreft welke geen uitstaans heeft met de persoonlijke gedragingen van de secretaris”, en “dat de OCMW-raad enkel akte kan nemen van het verzoek en de eraan ten grondslag liggende beweegredenen van de gemeenteraad om tot de voortijdige beëindiging van de terbeschikkingstelling te komen”.
 
5.3. Op 28 december 2017 ondertekenen de stad en het OCMW een „Overeenkomst stad en OCMW betreffende voortijdige beëindiging‟.
 
6. Met een brief van 5 april 2018 deelt de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen aan verzoekster mee dat hij niet zal optreden met betrekking tot haar “[d]iverse klachten tegen beslissingen van de gemeente Ninove en het OCMW van Ninove betreffende de beëindiging van de beheersovereenkomst”.
 
IV. Samenvoeging
 
7. Verzoekster vraagt de samenvoeging met de zaak gekend onder nr. A. 225.311/X-17.247.
 
8. De zaak nr. A. 225.311/X-17.247 heeft betrekking op beslissingen die, aldus verzoekster, “het gevolg zijn van de middels onderhavig verzoekschrift bestreden beslissingen”.
 
Zo eventueel de uitkomst van voorliggend beroep van invloed kan zijn op de uitkomst van het beroep tegen deze gevolgbeslissingen, het blijkt niet dat het omgekeerde het geval is.
 
Er is geen reden tot samenvoeging.
 
V. Ontvankelijkheid
 
A. Wat de gemeenteraadsbeslissing van 26 oktober 2017 en de beslissing van de OCMW-raad van 6 december 2017 betreft
 
9. Verzoekster verklaart in haar verzoekschrift zeer expliciet “zich niet tegen de beëindiging van de beheersovereenkomst an sich” te richten. Zij doet uitdrukkelijk kennen geen bezwaar ertegen te hebben dat de beheersovereenkomst en haar terbeschikkingstelling ten einde lopen op 30 april 2018. Het beroep is uitsluitend gericht tegen de voortijdige beëindiging van haar terbeschikkingstelling per 1 januari 2018.
 
10. In dit licht is zij zonder belang bij een vernietiging van de eerste twee bestreden beslissingen.
 
In die beslissingen doen de gemeenteraad en de OCMW-raad wezenlijk niets anders dan elk de beheersovereenkomst met toepassing van artikel 12.3 ervan opzeggen tegen 30 april 2018.
 
De toevoeging dat de besluiten in verband met de terbeschikkingstelling van verzoekster als stadssecretaris met ingang van 30 april worden opgeheven “behoudens andersluidende overeenkomst” verandert daar niets aan. Het zinsdeel “behoudens andersluidende overeenkomst” is op zich louter vrijblijvend en houdt zelfs geen intentieverklaring in.
 
11. In zoverre de beslissingen van 26 oktober 2017 en 6 december 2017 al niet gekaderd moeten worden in de uitvoering van de beheersovereenkomst van 5 januari 2015 en de Raad van State om die reden inzake het voorliggende beroep zonder rechtsmacht is, heeft alleszins verzoekster zich zelf zonder belang bij dat beroep verklaard.
 
Het beroep is onontvankelijk wat de eerste en de tweede bestreden beslissing betreft.
 
B. Wat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 28 november 2017 en de gemeenteraadsbeslissing van 13 december 2017 betreft
 
12. Terecht wijzen de eerste en de tweede verwerende partij erop dat de derde bestreden beslissing een voorbereidende beslissing is die geen eigen rechtsgevolgen veroorzaakt voor verzoekster.
 
Dat geldt gelijk voor zowel de collegebeslissing als de gemeenteraadsbeslissing.
 
13. De gemeenteraadsbeslissing van 13 december 2017 is essentieel te kwalificeren als een schriftelijk verzoek aan de OCMW-raad om de bestaande beheersovereenkomst te wijzigen wat de opzegmodaliteiten betreft met betrekking tot artikel 6 ervan. Het verzoek heeft als zodanig geen enkel gevolg voor de beheersovereenkomst, noch voor verzoeksters terbeschikkingstelling, waarvan de modaliteiten juist in de beheersovereenkomst zijn opgenomen.
 
Het verzoek is niet van aard dadelijk werkende rechtsgevolgen mee te brengen die verzoeksters situatie nadelig beïnvloeden. Nog minder vermag het enkele voorstel – vanwege het college van burgemeester en schepenen van 28 november 2017 – tot het richten van een dergelijk verzoek aan het OCMW, dat te doen.
 
14. Ook in zoverre het beroep gericht is tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 28 november 2017 en de gemeenteraadsbeslissing van 13 december 2017, is het onontvankelijk. C. Wat de beslissing van de OCMW-raad van 27 december 2017 betreft
 
15. Volgens de eerste en de tweede verwerende partij is het niet toegelaten, op straffe van onontvankelijkheid, in een en hetzelfde verzoekschrift beslissingen aan te vechten die van verschillende rechtspersonen en organen uitgaan.
 
16. De exceptie gaat uit van een niet nader beargumenteerd en gestaafd a priori. Als zodanig volstaat ze niet om van de niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen de beslissing van de OCMW-raad van 27 december 2017 te overtuigen.
 
D. Wat de “beslissing” van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen van 5 april 2018 betreft
 
17. Volgens de verwerende partijen is de beslissing van de gouverneur te begrijpen als de onthouding om zijn louter facultatieve bevoegdheid in het kader van het algemeen bestuurlijk toezicht uit te oefenen. Het beroep is huns inziens onontvankelijk wat die beslissing aangaat.
 
18. De Raad van State valt de exceptie bij. Het beroep is niet ontvankelijk wat het laatste voorwerp ervan betreft.
 
VI. Onderzoek ten gronde met betrekking tot de beslissing van de OCMW-raad van 27 december 2017
 
Standpunt van de partijen
 
19. Verzoekster voert in een eerste middel onder andere de schending aan van de rechtspositieregeling van het OCMW van Ninove, “onder meer artikel 139bis evenals de artikelen inzake de evaluatie tijdens de loopbaan (hoofdstuk viii RPR)”, van de beheersovereenkomst tussen het OCMW Ninove en de stad Ninove, en van “[d]iverse” beginselen van behoorlijk bestuur, “met name de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtzekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel”.
 
In een derde onderdeel van het middel argumenteert verzoekster dat het duidelijk is dat de stopzetting van de beheersovereenkomst en de vroegtijdige opheffing van haar aanstelling gemotiveerd worden op grond van “het volgens de stad gebrekkig functioneren van de verzoekster”. Evenwel kan en mag de beheersovereenkomst niet worden gebruikt als een middel om tot de evaluatie van verzoekster over te gaan. De evaluatie van de decretale graden moet gebeuren volgens de regels in het OCMW-decreet en in de rechtspositieregeling van het OCMW van Ninove. Dit duidelijk uitgetekend evaluatietraject – “onder meer ter bescherming van de rechten en belangen van de betrokkene” – is geenszins gevolgd. Gelet op artikel 4.4 van de beheersovereenkomst wordt het ter beschikking gestelde personeelslid geëvalueerd door het eigen bestuur op basis van een verslag van het bestuur waaraan het ter beschikking is gesteld. Een dergelijk verslag van de stad Ninove, waarin verzoekster werd geëvalueerd omtrent haar functioneren als stadssecretaris, ligt niet voor.
20. Volgens de eerste en de tweede verwerende partij is er geen sprake van een onwettige beëindiging van de beheersovereenkomst tussen de stad en het OCMW. Uit de mogelijkheid van de opzegging van de beheersovereenkomst volgt noodzakelijkerwijs de mogelijkheid tot opheffing van de terbeschikkingstelling van verzoekster als stadssecretaris op grond van dezelfde beheersovereenkomst.
 
Naar de mening van de eerste en de tweede verwerende partij zijn de redenen waarom de beheersovereenkomst wordt opgezegd “in rechte aanvaardbaar”. De evaluatie van de beheersovereenkomst heet “naar alle redelijkheid materieel en formeel gemotiveerd”. Daartoe verwijzen de eerste en de tweede verwerende partij naar het evaluatieverslag van 17 oktober 2017 en “voor zover als nodig” naar de repliek in de bestreden beslissingen op verzoeksters standpunt. Overigens moet volgens hen de opzegging zelfs niet gemotiveerd zijn, maar is ze een contractueel recht van elke partij bij de beheersovereenkomst.
 
Voorts menen de eerste en de tweede verwerende partij dat er geen enkele twijfel over kan bestaan dat de twee enige contractpartijen, zijnde de stad en het OCMW, bij nieuwe overeenkomst kunnen afwijken van een vorige overeenkomst. Er is geen enkel beletsel dat wordt overeengekomen dat de beheersovereenkomst wat artikel 6 betreft niet na maanden, maar al per 1 januari 2018 ophoudt uitwerking te hebben. Verzoekster kan volgens hen “niet ernstig voorhouden dat uit de geviseerde beslissingen niet zou blijken waarom enkel de samenwerking met haar als secretaris voortijdig moet worden stopgezet”. Een eenvoudige lezing volstaat daarvoor.
 
21. In de laatste memorie benadrukken de eerste en de tweede verwerende partij dat zij het recht hebben om de beheersovereenkomst te allen tijde, ook vroegtijdig zonder opzeggingstermijn, stop te zetten. Ingeval verzoekster daardoor een financieel nadeel leidt, “kan dit financieel nadeel worden hersteld zonder dat afbreuk kan en moet worden gedaan aan het recht van de verwerende partij[en] om de beheersovereenkomst te allen tijde, ook vroegtijdig zonder opzeggingstermijn stop te zetten”. Indien de stad geen beroep meer wenst te doen op de OCMW-secretaris als stadssecretaris “dan kan zij daar op elk moment een einde aan stellen”. Los van die principiële mogelijkheid, is de vroegtijdige beëindiging ook verantwoord in concreto en is verzoekster de mogelijkheid geboden om daaromtrent standpunt in te nemen.
 
Beoordeling
 
22. De opzegging door de eerste en de tweede verwerende partij van de beheersovereenkomst van 5 januari 2018 tegen 30 april 2018 gaat kennelijk terug op de evaluatie ervan op 17 oktober 2017.
 
Met de OCMW-raadsbeslissing van 27 december 2017 gaat de tweede verwerende partij een stap verder. Meer bepaald gaat met die beslissing de OCMW-raad in op het verzoek van de gemeenteraad van 13 december 2017 om, wat artikel 6 van de beheersovereenkomst betreft, deze overeenkomst in afwijking van artikel 12.3 eerder te beëindigen dan na een opzegtermijn tegen 30 april 2018, meer bepaald op 1 januari 2018.
 
De OCMW-raadsbeslissing leidt tot een nieuwe, 28 december 2017 gedateerde, „Overeenkomst stad en OCMW betreffende de voortijdige beëindiging‟ en brengt mee dat vanaf 1 januari 2018 een einde wordt gesteld aan de terbeschikkingstelling van de OCMW-secretaris aan de stad.
 
23. In zijn beslissing laat de OCMW-raad er geen twijfel over dat hij in essentie niets meer heeft gedaan dan akte nemen van de wil van de stad om een einde te stellen aan de terbeschikkingstelling van verzoekster vanaf 1 januari 2018, om deze wil vervolgens uit opportuniteitsoverwegingen bij te vallen. Naar de OCMW-raad oordeelt, staat niets dat in de weg omdat partijen altijd in onderlinge overeenstemming kunnen afwijken van eerdere overeenkomsten. In de beslissing wordt uitdrukkelijk aangegeven dat ze “geen uitstaans heeft met de persoonlijke gedragingen van de secretaris” en losstaat van enige evaluatie van de secretaris, die moet gebeuren op grond van een evaluatieprocedure.
 
24. Dat partijen in onderlinge overeenstemming in principe steeds kunnen afwijken van eerdere overeenkomsten, sluit niet uit dat wanneer een overheid wenst te beslissen om met een nieuwe overeenkomst van een eerdere af te wijken, zij daarvoor over een voldoende draagkrachtige reden dient te beschikken.
 
25. De beslissing van de OCMW-raad van 27 december 2017 is erop gericht om de modaliteiten van verzoeksters terbeschikkingstelling te wijzigen en af te doen aan de waarborgen die zij ter zake aan de initieel gesloten beheersovereenkomst ontleent, meer bepaald wat de duur van de terbeschikkingstelling betreft.
 
Het motief dat de OCMW-raad met zijn beslissing in wezen alleen maar de stad Ninove ter wille wenst te zijn, is daartoe ontoereikend.
 
Dat is des te meer het geval omdat de vraag van de stad van 13 december 2017 is ingegeven door ontevredenheid over en een negatieve appreciatie van verzoeksters gedragingen, die juist bij uitstek ter beoordeling van het OCMW staan.
 
26. Blijkens de vraag van de gemeenteraad van 13 december 2017 zou de houding van verzoekster uitwijzen dat zij “niet langer het vertrouwen kan genieten om [haar] de volledige overgangsperiode de leiding te laten blijven nemen over het personeel van de stad”. Voorts meent de stad dat verzoekster er zich jegens haar “niet over kan beklagen dat de (onmiddellijke) stopzetting van de beheerovereenkomst en de terbeschikkingstelling haar grondslag vindt in een beoordeling en beslissing die losstaat van enige formele evaluatieprocedure”, nu “de stad niet de juridische werkgever is van de secretaris” en “de evaluatie- en tuchtbevoegdheid toekomt aan het OCMW en niet aan de stad”.
 
Geeft de gemeenteraad hiermee genoegzaam aan dat, en waarom, zij verzoeksters terbeschikkingstelling beëindigd wil zien op 1 januari 2018, het is bepaald onvoldoende ter verantwoording dat het OCMW zich daar zonder meer bij aansluit. Anders dan de gemeente is het OCMW wél verzoeksters werkgever en vermag hij, op grond van artikel 4.4 van de beheersovereenkomst en ook van artikel 139bis van de rechtspositieregeling van het OCMW-personeel, wél verzoekster te evalueren. Meer bepaald dragen die bepalingen de evaluatie van een ter beschikking gesteld personeelslid uitdrukkelijk en exclusief op aan “het eigen bestuur”.
 
27. Uit wat voorafgaat, volgt dat de OCMW-raad verkeerdelijk van mening is dat zijn beslissing “geen uitstaans heeft met de persoonlijke gedragingen van de secretaris” en dat hij de vraag van de eerste verwerende partij van 13 december 2017 blindweg mocht inwilligen – “zonder zich daarom [haar] motieven te moeten eigen maken of er zich te moeten over uitspreken”.
 
De beslissing van de OCMW-raad berust niet op behoorlijk vastgestelde, draagkrachtige motieven.
 
28. Het middelonderdeel is gegrond.
 
VII. Kosten
 
29. Het beroep verantwoordt de vernietiging van de beslissing van de OCMW-raad van 27 december 2017. Tot de kosten, die ten laste zijn van de tweede verwerende partij, behoort ook een rechtsplegingsvergoeding ten behoeve van verzoekster.
 
Geen rechtsplegingsvergoeding komt toe aan de eerste verwerende partij, voor wie dezelfde advocaat optrad als voor de tweede verwerende partij en voor wie identieke of nagenoeg identieke procedurestukken zijn neergelegd, evenals eenzelfde administratief dossier.
 
Door verzoekster is een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd aan de derde en de vierde verwerende partij.
 
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn van de stad Ninove van 27 december 2017 om de beëindiging van de beheersovereenkomst tussen de stad en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te bevestigen en de toepassing van artikel 6 met ingang van 1 januari 2018 op te heffen, en om daartoe de overeenkomst tussen de stad en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn goed te keuren.
 
2. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
 
3. De tweede verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het rolrecht van het beroep, ten belope van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een aan verzoekster verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro.
 
De Raad van State veroordeelt verzoekster tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro aan de derde en de vierde verwerende partij gezamenlijk.
 
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
 
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad,
bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust