Print

Raad van State - Arrest nr. 248.726 van 23 oktober 2020 - Beroep tot nietigverklaring - Onteigening

Rechtbank/Hof
Raad van State
Arrestnummer
248.726
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
vrijdag 23 oktober 2020
Samenvatting

-

Tekst arrest
 
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
 
Xe KAMER
 
ARREST
 
nr. 248.726 van 23 oktober 2020
in de zaak A. 225.130/X-17.225
 
In zake: 1. Jan SEYMONS
2. Bartholomeus SEYMONS
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Peter Flamey
kantoor houdend te 2200 Herentals
Doornestraat 66
bij wie woonplaats wordt gekozen
 
tegen:
 
1. het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Bart Staelens
kantoor houdend te 8000 Brugge
Gerard Davidstraat 46 bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
2. het AUTONOOM PROVINCIEBEDRIJF VLABINVEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten Joris Geens en Katrien Dams
kantoor houdend te 2600 Antwerpen
Borsbeeksebrug 36
 
I. Voorwerp van het beroep
 
1. Het beroep, ingesteld op 4 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding van 7 februari 2018 „houdende de machtiging verleend aan Vlabinvest voor de onteigening van […] onroerende goederen gelegen te Londerzeel met het oog op de realisatie van een ontsluitingsweg voor langzaam verkeer‟, waarbij machtiging wordt verleend om tot onteigening over te gaan met betrekking tot de percelen van de verzoekende partijen, gelegen aan de Acacialaan te Londerzeel, 1ste afdeling, sectie D, nrs. 406/h (deel) en 406/k (deel).
 
II. Verloop van de rechtspleging
 
2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
 
Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld.
 
De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend.
 
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 september 2020.
 
Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.
 
Advocaat Glenn Declercq, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Katrien Dams, die in eigen naam en loco advocaat Joris Geens verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord.
 
Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
 
III. Feiten
 
3.1. De tweede verzoeker is eigenaar van een perceel met woning, gelegen aan de Acacialaan 23 te Londerzeel en kadastraal bekend 1ste afdeling, sectie D, nr. 406/h. De eerste verzoeker is eigenaar van, onder meer, een perceel grond, kadastraal bekend 1ste afdeling, sectie D, nr. 406/k, dat aansluit achter het perceel nr. 406/h van de tweede verzoeker. Op de zuid-westelijke strook van deze beide laatste percelen bevindt zich een “losweg”, die verder doorloopt over het achterliggend perceel nr. 402/n en verder naar de Kerkhofstraat toe.
 
3.2. Volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, is het perceel nr. 406/h van de tweede verzoeker in woongebied gelegen. Het achterliggend perceel nr. 406/k van de eerste verzoeker is in woonuitbreidingsgebied gelegen.
 
Het bebouwde perceel nr. 406/h van de tweede verzoeker is tevens gelegen binnen het beheersingsgebied van het bij koninklijk besluit van 29 juni 1964 goedgekeurd en nadien meermaals gewijzigde bijzonder plan van aanleg nr. 5 “Acacialaan” (hierna: het BPA) en binnen de grenzen van de op 19 april 1967 vergunde verkaveling, gewijzigd op 8 september 2003.
 
De zuid-westelijke strook van het perceel nr. 406/h van de tweede verzoeker wordt op het bestemmingsplan van het BPA aangeduid als “wegenis” en opgenomen in het bij het BPA gevoegde onteigeningsplan. Er wordt evenwel niet overgegaan tot onteigening. De op 19 april 1967 vergunde verkaveling geeft op dezelfde plaats een “losweg” aan.
 
3.3. Op 11 februari 2008 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel om een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Acacialaan” (hierna: het gemeentelijk RUP) op te maken ter herziening van het BPA “Acacialaan”.
 
3.4. Op 26 februari 2013 stelt de gemeenteraad van de gemeente Londerzeel het ontwerp van het gemeentelijk RUP voorlopig vast. Het plan bestemt het bebouwde perceel nr. 406/h van tweede verzoeker tot “zone voor open-, halfopen- en gegroepeerde bebouwing” (artikel 2). Op dit perceel van de tweede verzoeker wordt ter hoogte van de voormelde “losweg” tevens een “verbinding voor langzaam vervoer (symbolische aanduiding in overdruk)” voorzien, aangeduid door middel van een pijl (artikel 5). Het kadastrale perceel nr. 406/k van eerste verzoeker valt buiten het plangebied.
Ter verduidelijking de volgende planmatige voorstelling:
 
3.5. Artikel 5.1 van de stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk RUP bepaalt met betrekking tot de bestemming “verbinding voor langzaam verkeer (symbolische aanduiding in overdruk)”:
 
“Art. 5.1 Bestemming
Om functionele relaties te leggen worden op verschillende plaatsen verbindingen gerealiseerd voor de zachte weggebruiker. De pijlen duiden symbolisch aan welke plaatsen met elkaar verbonden moeten worden. Onder zachte weggebruikers wordt verstaan: wandelaars, fietsers, …. Gemotoriseerd verkeer zoals bromfietsen, auto‟s en moto‟s zijn niet toegelaten”.
 
3.6. De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de gemeente Londerzeel (hierna: de Gecoro) brengt na het openbaar onderzoek, op 21 oktober 2013, een advies uit over het gemeentelijk RUP.
 
3.7. Op 28 januari 2014 stelt de gemeenteraad van Londerzeel het gemeentelijk RUP definitief vast.
 
3.8. Bij besluit van 27 maart 2014 keurt de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het gemeentelijk RUP goed.
 
Een door verzoekers tegen dit besluit ingediend beroep wordt bij ‟s Raads arrest nr. 234.286 van 29 maart 2016 verworpen.
 
3.9. Op 8 november 2016 gaat de tweede verwerende partij over tot de voorlopige vaststelling van een onteigeningsplan met het oog op de realisatie van een ontsluitingsweg voor langzaam verkeer op de percelen 406/h en 406/k.
 
3.10. Van 1 december 2016 tot 15 december 2016 vindt een openbaar onderzoek plaats. Verzoekers dienen een bezwaarschrift in. Na het openbaar onderzoek worden enkele aanpassingen en aanvullingen aan het onteigeningsdossier aangebracht.
 
3.11. Op 14 maart 2017 stelt de tweede verwerende partij het onteigeningsplan opnieuw voorlopig vast.
 
3.12. Van 2 mei 2017 tot 16 mei 2017 vindt andermaal een openbaar onderzoek plaats. Verzoekers dienen opnieuw een bezwaarschrift in.
 
3.13. Bij besluit van 7 november 2017 van de tweede verwerende partij worden verzoekers bezwaren behandeld en weerlegd. Tevens wordt het onteigeningsplan definitief vastgesteld.
 
3.14. Bij besluit van 7 februari 2018 verleent de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding aan de tweede verwerende partij de machtiging voor de voorgenomen onteigening.
 
Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt gesteld:
 
“Feitelijke context De raad van bestuur van Vlabinvest heeft op 8 november 2016 en 14 maart 2017 voorlopig en op 7 november 2017 definitief beslist om voor de realisatie van een ontsluitingsweg voor langzaam verkeer over te gaan tot de verwerving bij wijze van onteigening ten algemene nutte van onroerende goederen gelegen te Londerzeel met een totale in te nemen oppervlakte zoals aangeduid op het bijgevoegde onteigeningsplan en de innemingstabel. De geplande onteigening kadert in een woonproject met sociaal karakter. De voorgestelde onteigening past binnen het bindend sociaal objectief (BSO) van de gemeente Londerzeel, opgelegd door het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid. Aangezien de Vlabinvest-woningen meetellen voor het BSO van de gemeente, wordt op deze manier het objectief mee gerealiseerd. Deze woongelegenheden zullen bestaan uit een mix van huur- en koopwoningen, met de nadruk op huurwoningen. Het te onteigenen gebied wordt aangeduid als „verbinding voor langzaam verkeer‟ in het gemeentelijk RUP Acacialaan. Er zal door Vlabinvest een verbinding voor langzaam verkeer worden aangelegd die zal worden gebruikt ter ontsluiting van het projectgebied. Die zal nadien worden overgedragen aan de gemeente om het netwerk van zachte weggebruikerspaden te optimaliseren. Op deze locatie is reeds jaren een losweg voorzien. Juridisch kader De wet van 27 mei 1870 houdende vereenvoudiging van de administratieve vormvereisten inzake onteigeningen ten openbare nutte. Het decreet van 13 april 1988 tot bepaling van de gevallen en de modaliteiten waarbij de Vlaamse Regering kan overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake de culturele, persoonsgebonden en onderwijsaangelegenheden. Het bodemdecreet van 27 oktober 2006, artikel 119. Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, artikel 2.4.3, § 1.”
 
IV. Onderzoek van de middelen
 
A. Eerste middel
 
Uiteenzetting van het middel
 
4.1. Verzoekers voeren in een eerste middel de schending aan van artikel 2.4.3, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: de VCRO), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: de formelemotiveringswet) en het materiëlemotiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, alsook voeren zij machtsoverschrijding en de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag aan.
 
Zij voeren in essentie aan dat artikel 2.4.3, § 1, VCRO niet als rechtsgrond voor het onteigeningsbesluit kan dienen, aangezien de onteigening geen uitstaans heeft met de verwezenlijking van het gemeentelijk RUP.
 
Verzoekers zetten uiteen dat zowel uit de onteigeningsmachtiging als uit het onteigeningsdossier blijkt dat de werkelijke doelstelling van het onteigeningsplan de ontsluiting van het achtergelegen sociaal woonproject is en dat de onteigening geenszins tot doel heeft om het trage wegennetwerk in de gemeente Londerzeel te optimaliseren. Dit achtergelegen projectgebied is buiten het plangebied gelegen en de betrokken “losweg” is slechts binnen het plangebied gelegen voor zover hij over het perceel nr. 406/h loopt. Het gemeentelijk RUP voorziet in geen enkele toelichting of afweging om de “verbindingsweg voor langzaam verkeer” voor het achtergelegen projectgebied in te zetten.
Volgens verzoekers blijkt uit de toelichtingsnota ten tijde van het eerste openbaar onderzoek dat de onteigening enkel op het achtergelegen sociaal woonproject was gesteund. In deze nota werd het standpunt van de gemeente weergegeven, waarbij werd meegedeeld dat de “losweg” nadien aan de gemeente Londerzeel zou worden overgedragen. Naar aanleiding van het tweede openbaar onderzoek werd de toelichtingsnota, na bezwaren van verzoekers, aangepast en werd in artikel 2.4.3, § 1, VCRO rechtsgrond gezocht, waarbij bepaald werd dat “de losweg als een verbinding voor langzaam verkeer werd uitgewerkt in het RUP Acacialaan”. Daarnaast bevestigt het onteigeningsdossier uitdrukkelijk dat de tweede verwerende partij de voorziene verbinding wenst te gebruiken en dat zij dit zelfs noodzakelijk acht om haar project te kunnen realiseren. Het onteigeningsdossier en de bestreden beslissing beroepen zich dan ook ten onrechte op artikel 2.4.3, § 1, VCRO, aangezien het werkelijk doel van de onteigening niet de verwezenlijking van het gemeentelijk RUP is, maar de ontsluiting van een projectgebied buiten het plangebied.
 
Daarenboven kan artikel 2.4.3, § 1, VCRO volgens verzoekers in geen geval voor de onteigening van het perceel nr. 406/k als rechtsgrond dienen, vermits dit perceel buiten het plangebied is gelegen.
 
Voorts is de redengeving van de bestreden beslissing onduidelijk en dubbelzinnig aangezien, enerzijds, wordt bevestigd dat de geplande onteigening in een woonproject met sociaal karakter kadert en, anderzijds, naar een verbinding voor langzaam verkeer in het gemeentelijk RUP wordt verwezen. Met de overweging dat “op deze locatie reeds jaren een losweg is voorzien” beoogt de bestreden beslissing te doen geloven dat de inneming met een feitelijk gebruik van de grond zou overeenstemmen. Die vaststelling strookt evenwel niet met de werkelijkheid, zodat de bestreden beslissing niet van een correcte feitengaring getuigt en bijgevolg de feitelijke en juridische grondslag ontbeert.
 
4.2. In hun memorie van wederantwoord stellen verzoekers dat het gemeentelijk RUP voor de verwerving van de betrokken percelen niet dienstig kan aangewend worden, vermits het eigenlijke doel van het gemeentelijk RUP niet met het eigenlijke doel van de onteigening overeenstemt, te weten de ontsluiting van het achtergelegen sociaal woonproject. De verwerende partijen beweren ten onrechte dat de onteigening aan het doel van het gemeentelijk RUP, namelijk de optimalisatie van het trage wegennetwerk binnen de gemeente Londerzeel, tegemoet komt. Bij de definitieve totstandkoming van het gemeentelijk RUP was geen onteigeningsplan gevoegd. Dit toont aan dat de thans gewenste onteigening louter de belangen van de tweede verwerende partij als sociaalwoonprojectontwikkelaar dient. In de beslissing van de tweede verwerende partij van 7 november 2017 wordt bevestigd dat de vooropgestelde onteigening ter verwezenlijking van het achtergelegen sociaal woonproject zal geschieden. Nu blijkt dat de onteigening niet ter verwezenlijking van het gemeentelijk RUP gebeurt, is ook het algemeen nut van de onteigening niet aangetoond. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de onteigening uitsluitend de ontsluiting van het achtergelegen sociaal woonproject dient. Verder gaat de onteigening van het buiten het plangebied gelegen perceel lijnrecht tegen de bewering in dat de onteigening ter verwezenlijking van het gemeentelijk RUP geschiedt. Artikel 2.4.3 VCRO kan niet als rechtsgrond dienen voor de onteigening van een perceel dat geen deel uitmaakt van een RUP. De verwerende partijen geven zelf aan dat de vooropgestelde onteigening uitsluitend de ontsluiting van het te ontwikkelen sociaal woonproject tot doel heeft, wat met de voormelde bepaling flagrant in strijd is. Zij betwisten ook niet dat de voorziene inneming noodzakelijk is om het sociaal woonproject uit te voeren, noch dat het woonproject buiten het plangebied is gelegen. Het hele betoog van de tweede verwerende partij is bovendien niet geloofwaardig. Zij kan zich slechts bezighouden met zaken die haar statutair doel toelaten. Elke verwijzing naar “trage wegen” is vreemd aan dat statutair doel, zodat elke verwijzing daarnaar de toepassing van artikel 2.4.3, § 1, VCRO uitsluit.
 
4.3. Verzoekers doen in hun laatste memorie nog gelden dat de bestreden onteigening niet deels grond kan vinden in artikel 2.4.3, § 1, VCRO en deels in het decreet van 13 april 1988 „tot bepaling van de gevallen en de modaliteiten waarbij de Vlaamse Regering kan overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake de culturele, persoonsgebonden en onderwijsaangelegenheden‟ (hierna: het decreet van 13 april 1988). Het is volgens hen “het ene of het andere”. Zij stellen dat het decreet van 13 april 1988 door artikel 122, 5°, van het Vlaams Onteigeningsdecreet is opgeheven en dat de “overgangsregeling [...] alleen betrekking [heeft] op de administratieve afhandeling van de onteigeningsprocedure en [...] geen incidentie heeft voor de habilitatiebepaling”. Volgens verzoekers “ressorteert” niet elk sociaal woonproject onder het begrip “maatschappelijk welzijn”. Met het gemeentelijk RUP heeft de tweede verwerende partij dan weer niets te maken. Verder stellen zij dat de losweg enkel toegang bood tot hun achterliggende percelen en dat enkel zijzelf, de bewoners van het toenmalige erf, en hun bezoekers er gebruik van mochten maken. De tweede verwerende partij heeft zelf in 2014 “de opdracht [...] gegeven [om] het tussenliggend gedeelte van de weg helemaal op te graven”.
 
Beoordeling
 
5.1. Verzoekers overtuigen er vooreerst niet van dat de vaststelling dat op de kwestieuze locatie jarenlang een losweg voorzien is, onjuist zou zijn. Blijkens de stukken van het dossier is op de zuidwestelijke strook van de percelen 406/k en 406/h een losweg aanwezig, die over het achterliggend perceel naar de Kerkhofstraat toeloopt. Zij doen niet aannemen dat de losweg enkel door henzelf, de bewoners van het toenmalige erf, en hun bezoekers mocht worden gebruikt. Het gegeven dat de weg sinds de stopzetting van het achtergelegen landbouwbedrijf niet langer wordt gebruikt, en de tweede verwerende partij volgens verzoekers in 2014 “de opdracht heeft gegeven [om] het tussenliggend gedeelte van de weg helemaal op te graven”, toont het tegendeel niet aan.
 
5.2. De betrokken losweg is deels binnen, deels buiten, het plangebied van het gemeentelijk RUP gelegen. Ter hoogte van het gedeelte binnen het plangebied (perceel nr. 406/h) is door het gemeentelijk RUP een “verbinding voor langzaam verkeer” aangeduid. Het gedeelte buiten het plangebied (perceel nr. 406/k) is volgens het gewestplan in woonuitbreidingsgebied gelegen, gebied waarin de tweede verwerende partij haar sociaal woonproject wil realiseren. Het komt de Raad van State voor dat de “verbinding voor langzaam verkeer” dienstig is als ontsluiting van het sociaal woonproject, zodat verbinding en ontsluiting met elkaar verstrengeld zijn.
 
In het bestreden besluit komt deze verstrengeling als volgt tot uiting: “Er zal door Vlabinvest een verbinding voor langzaam verkeer worden aangelegd die zal worden gebruikt ter ontsluiting van het projectgebied”.
 
Gezien het voormelde kan verzoekers‟ standpunt dat “de voorgenomen onteigening met de verwezenlijking van het RUP” geen uitstaans heeft en dat de tweede verwerende partij met het gemeentelijk RUP “niets [...] te maken heeft”, geen bijval vinden. Dat het sociaal woonproject buiten het plangebied is gesitueerd, doet niet anders besluiten.
 
5.3.1. Voor het gedeelte van de losweg dat binnen het plangebied is gelegen (perceel nr. 406/h), vindt de bestreden beslissing rechtsgrond in artikel 2.4.3, § 1, VCRO, zoals blijkt uit wat volgt.
 
5.3.2. Artikel 2.4.3, § 1, VCRO bepaalt: “Elke verwerving van onroerende goederen, vereist voor de verwezenlijking van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, kan door onteigening ten algemenen nutte tot stand worden gebracht”.
 
5.3.3. In het besluit van 7 november 2017 van de tweede verwerende partij, waarvan de motieven in het bestreden besluit overgenomen worden, wordt uitdrukkelijk naar het verslag van de Gecoro van 21 oktober 2013 inzake het gemeentelijk RUP verwezen. Daarin wordt vermeld:
 
“Maar uiteraard was de bestemmingzone ter hoogte van de consoorten Seymons nog niet gerealiseerd en essentieel voor de ontsluiting van het achterliggende woonuitbreidingsgebied, maar ook om andere fiets- en voetgangersstromen mogelijk te maken (vb. de mogelijke sneltramhaltes Brussel-Boom langsheen de A12, verkeer van de kernen Westrode en Ramsdonk verbinden met Londerzeel voor de schoolgaande jeugd,...). Vandaar dat de gemeente geopteerd heeft om een plan goed te keuren met een aanduiding „pad zachte weggebruiker‟ ter hoogte van de vroegere aangeduide wegenis”. [...]
Het is niet correct te stellen dat deze kwestieuze verbinding louter ten dienste staat van de ontwikkeling van het achterliggende woonuitbreidingsgebied. Deze verbinding wordt door de lokale overheid wel aangeduid om een netwerk van verbindingen voor de zachte weggebruiker te creëren, waarvan de (Londerzeelse) gemeenschap kan profiteren. Uiteraard is het wel de bedoeling dat er aansluitend een fietspad komt naar en doorheen de wijk, zodat dit netwerk verder opgebouwd wordt. De gemeente heeft dus dergelijke oplossing niet op vraag van 1 partij (de sociale ontwikkelaar) doorgevoerd, maar in het kader van het algemeen belang”.
 
5.3.4. Met het bestreden besluit wordt een machtiging tot onteigening verleend “met het oog op de realisatie van een ontsluitingsweg voor langzaam verkeer”. In het besluit wordt verder gesteld: “Het te onteigenen gebied wordt aangeduid als „verbinding voor langzaam verkeer‟ in het gemeentelijk RUP Acacialaan. Er zal door Vlabinvest een verbinding voor langzaam verkeer worden aangelegd die zal worden gebruikt ter ontsluiting van het projectgebied. Die zal nadien worden overgedragen aan de gemeente om het netwerk van zachte weggebruikerspaden te optimaliseren”.
 
5.3.5. Verzoekers overtuigen er, gezien het voormelde, niet van dat de onteigening van de betrokken verbindingsweg binnen het plangebied niet de uitvoering van het gemeentelijk RUP tot doel heeft. Dat deze verbindingsweg “zal worden gebruikt ter ontsluiting van het projectgebied” houdt nog niet in dat hij louter ter uitvoering van dat project zou dienen.
 
5.4. Voor het gedeelte van de losweg dat buiten het plangebied is gelegen (perceel nr. 406/k), kan, anders dan verzoekers dit zien, wel degelijk rechtsgrond gevonden worden in het decreet van 13 april 1988. Dit decreet vindt toepassing, nu artikel 124 van het decreet van 24 februari 2017 „betreffende onteigening voor het algemeen nut‟ in een overgangsbepaling voorziet, die stelt dat “lopende administratieve procedures […] onderworpen blijven aan de bepalingen die van toepassing waren voor de inwerkingtreding van dit decreet”. Het Vlaams Onteigeningsdecreet is op 1 januari 2018 in werking getreden en de bestreden beslissing van 7 februari 2018 is de uitkomst van een lopende administratieve procedure. De artikelen 2 en 3 van het decreet van 13 april 1988 luiden:
 
“Art. 2. De regering wordt gemachtigd over te gaan tot onteigeningen ten algemenen nutte van de onroerende goederen in de gevallen waarin zij oordeelt dat de verkrijging ervan noodzakelijk is voor de uitbouw van de infrastructuur of voor het beleid inzake de culturele, persoonsgebonden en onderwijsaangelegenheden, zoals bepaald in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 59bis van de Grondwet. Art. 3. De regering kan andere rechtspersonen, die bevoegd zijn om onroerende goederen ten algemenen nutte te onteigenen, machtigen tot onteigening in de gevallen waarin zij oordeelt dat de verkrijging ervan noodzakelijk is voor de uitbouw van de infrastructuur of voor het beleid inzake de culturele, persoonsgebonden en onderwijsaangelegenheden, zoals bepaald in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 59bis van de Grondwet”. Het kwestieuze sociaal woonproject, inbegrepen de ontsluiting ervan, dient als infrastructuur voor het beleid inzake persoonsgebonden aangelegenheden begrepen te worden.
 
5.5. In zoverre in het bestreden besluit, enerzijds, wordt bevestigd dat de geplande onteigening kadert in een woonproject met sociaal karakter en, anderzijds, wordt verwezen naar de verbinding voor langzaam verkeer in het gemeentelijk RUP, is er geen sprake van onduidelijkheid of dubbelzinnigheid. Deze tweeledigheid vloeit voort uit de ligging van de betrokken losweg, deels binnen en deels buiten het plangebied, en de verbondenheid tussen, enerzijds, de verbinding voor langzaam verkeer en, anderzijds, de ontsluiting van het sociaal woonproject (zie randnummer 5.2).
 
5.6. Uit het enkele feit dat het onteigeningsplan na het gemeentelijk RUP is vastgesteld, vermogen verzoekers niet op goede grond af te leiden dat de kwestieuze onteigening louter de belangen van de tweede verwerende partij als sociaalwoonprojectontwikkelaar zou dienen. Artikel 2.4.4, § 2, vierde lid, VCRO, voorziet immers uitdrukkelijk in de mogelijkheid om een onteigeningsplan na een RUP op te maken.
 
5.7. In de mate dat verzoekers eerst in hun memorie van wederantwoord aanvoeren dat de onteigening niet in het statutair doel van de tweede verwerende partij zou passen, is dit laattijdig en is het middel onontvankelijk. Bovendien maken zij dit geenszins concreet aannemelijk.
 
5.8. Verzoekers tonen geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan.
 
5.9. Het middel wordt verworpen.
 
B. Tweede middel
 
Uiteenzetting van het middel
 
6.1. Verzoekers voeren in een tweede middel de schending aan van artikel 16 van de Grondwet, artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag over de rechten van de mens, artikel 1 van de wet van 27 mei 1870 „houdende vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten inzake onteigeningen ten algemenen nutte‟, artikel 2.4.3, § 1, VCRO, de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet en het materiëlemotiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, alsook voeren zij de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag aan. Zij betwisten in essentie het algemeen nut en de noodzaak “als constitutieve voorwaarden” van de onteigening.
Verzoekers betogen dat de tweede verwerende partij het algemeen nut voornamelijk op de ontsluiting van het achtergelegen projectgebied toespitst, dat zijn grondslag in het bindend sociaal objectief van de gemeente Londerzeel zou vinden. Het is volgens verzoekers evenwel niet omdat het achtergelegen project een sociaal karakter heeft en tot doel heeft om aan het bindend sociaal objectief bij te dragen, dat de onteigening van de betrokken “losweg” het algemeen nut zou dienen. Daarenboven wordt volgens hen andermaal uit het oog verloren dat de rechtsgrond tot onteigening artikel 4.2.3, § 1, VCRO is. Het algemeen nut wordt in dit verband enkel gemotiveerd op grond van de stelling dat de “losweg” tot het netwerk van zachteweggebruikerspaden zou bijdragen. De noodzaak voor onteigening wordt volgens verzoekers evenmin aangetoond. Er wordt enkel naar de vermeende noodzaak verwezen om een verbinding voor langzaam verkeer te kunnen realiseren en “voor de nodige capaciteit ten aanzien van het achtergelegen woonerf”. De wachtlijsten met kandidaat-huurders voor sociale woningen toont evenmin de noodzaak voor de onteigening van de betrokken weg aan. Er bestaan volgens verzoekers overigens voldoende uitwegen voor zacht verkeer, zodat er andere mogelijkheden bestaan om de vermeende verkeersdruk te verlichten. De vaststelling dat reeds jaren een losweg aanwezig is, strookt volgens verzoekers niet met de realiteit. De bestemming van het oude BPA is immers nooit gerealiseerd, zodat er van enige weg nooit sprake is geweest. Zij menen dat ook bij de toepassing van artikel 2.4.3, § 1, VCRO het algemeen nut concreet moet worden aangetoond. Er dient steeds een rechtstreekse band tussen het gemeentelijk RUP en de beoogde onteigening te bestaan. De onteigening moet nodig zijn om het gemeentelijk RUP te verwezenlijken en het moet tevens de enige mogelijkheid zijn om deze doelstelling te bereiken. Ook uit de “bijzondere omzendbrief inzake onteigeningen in het kader van huisvestingsprojecten” van 1996 en “de Vlaamse Omzendbrief Onteigeningen 2011” blijkt het belang van de motivering. Indien een onteigening op sociale woningbouw betrekking heeft, is er sprake van openbaar nut wanneer wordt aangetoond dat in de gemeente een effectieve behoefte aan sociale woningbouw bestaat en er tegelijkertijd geen of onvoldoende gronden of gebouwen beschikbaar zijn in het openbaar patrimonium. Ook de bijzondere omzendbrief van 1996 geeft aan dat het voorwerp van de onteigening gemotiveerd moet worden.
 
6.2. Verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord dat de verwijzingen naar het besluit van 7 november 2017 van de tweede verwerende partij en naar het onteigeningsdossier de kritiek aangaande de gebrekkige motivering niet weerleggen. Er wordt niet geantwoord op de grief dat er in werkelijkheid van een losweg op de betrokken percelen nooit sprake is geweest. Het algemene nut en de noodzaak van de onteigening worden aan de realisatie van het sociaal woonproject gekoppeld. Dat toont de manifeste onwettigheid van de bestreden beslissing aan. De tweede verwerende partij beoogt met de onteigening slechts de realisatie van de ontsluitingsweg voor het sociaal woonproject. Dit getuigt allerminst van zorgvuldigheid aangezien daarmee het gemeentelijk RUP buitenspel wordt gezet. Het verweer van de verwerende partijen gaat aan de essentie van de grieven voorbij, waarin wordt bekritiseerd dat enige habilitatie en een afdoende motivering inzake het openbare nut en de noodzaak van de onteigening ontbreekt.
 
6.3. Verzoekers doen in hun laatste memorie nog gelden dat uit het onteigeningsdossier niet blijkt dat de onteigening van de betrokken doorgangsweg voor de verwezenlijking van het sociaal woonproject noodzakelijk is. De beweringen, enerzijds, dat de verbindingsweg voor langzaam verkeer voor de ontsluiting van het achtergelegen sociaal woonproject noodzakelijk is, en, anderzijds, dat de onteigening van verzoekers‟ percelen in uitvoering van het gemeentelijk RUP geschiedt, zijn tegenstrijdig en tonen wel degelijk de dubbelzinnigheid in het dossier aan. Verzoekers ontkennen dat zij hun eigen visie op de ruimtelijke ordening weergeven. De concrete noodzaak voor de onteigening van hun eigendommen wordt niet aangetoond. Voorts herhalen verzoekers dat de losweg geenszins een reeds jarenlang bestaande verbindingsweg is, die voor iedereen toegankelijk zou zijn.
 
Beoordeling
 
7.1. Bij de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat de betrokken onteigening binnen het plangebied ter verwezenlijking van het gemeentelijk RUP geschiedt. In zoverre vindt het vermoeden van algemeen nut, in de zin van artikel 2.4.3, § 1, VCRO, toepassing. Verzoekers slagen er niet in dit vermoeden te ontkrachten.
 
7.2. Wat de aanleg van de losweg buiten het plangebied betreft, dient, anders dan verzoekers dit zien, aangenomen te worden dat de aanleg van een weg ter ontsluiting van een sociaal huisvestingsproject dat binnen het bindend sociaal objectief van de gemeente Londerzeel kadert, van algemeen nut is.
 
7.3. In het onteigeningsdossier wordt inzake de noodzaak tot onteigening gesteld: “6.2 DE NOODZAAK Het te onteigenen gebied werd aangeduid als „verbinding voor langzaam verkeer‟ in het gemeentelijk RUP Acacialaan. De verwerving is vereist om de verbinding voor langzaam verkeer te kunnen realiseren. Gezien het gebied niet in der minne kan worden verworven dringt een onteigening zich op. Daarnaast zijn de te onteigenen gedeeltes van percelen bepalend voor het project omdat de aanleg van de ontsluitingsweg zorgt voor de nodige capaciteit t.o.v. het woonerf. Bijgevolg is het niet enkel wenselijk maar tevens noodzakelijk om de gedeeltes van percelen te verwerven in functie van het algemeen belang. De onteigening is bovendien noodzakelijk aangezien er bijkomende capaciteit moet worden voorzien in de sociale huisvestingssector. Dit kan worden afgeleid uit de wachtlijsten die momenteel bestaan voor een sociale huurwoning in de gemeente Londerzeel. […] 6.3 MOTIVERING VAN HET VOORWERP VAN DE ONTEIGENING De losweg is nodig om het beoogde openbare doel te bereiken. De verbinding voor langzaam verkeer, zoals opgenomen in het gemeentelijk RUP Acacialaan, kan slechts worden gerealiseerd door de onteigening van de losweg. Het gemeentelijk RUP Acacialaan werd goedgekeurd op 27 maart 2014. De losweg is aangeduid als „verbinding voor langzaam verkeer‟. […] Door de onteigening kan het RUP worden verwezenlijkt en kan er een verbinding voor het langzaam verkeer worden gecreëerd ten voordele van zowel Vlabinvest als de gemeente. […] Bij het vastleggen van de locatie van deze ontsluitingsweg, werd gekozen voor de minst schadelijke weg. Gezien er op deze locatie reeds jaren een losweg is voorzien, is het ongemak en de hinder voor de omwonenden beperkt. Daarnaast zal de ontsluitingsweg enkel worden gebruikt voor langzaam verkeer, terwijl de losweg voordien ook toegankelijk was voor gemotoriseerd verkeer”.
 
In het besluit van 7 november 2017 van de tweede verwerende partij wordt met betrekking tot de noodzaak tot onteigening nog gesteld:
 
“De bezwaarindiener stelt dat er naast de losweg in kwestie nog andere uitwegen voorzien zijn in het project en dat niet wordt aangetoond dat de losweg noodzakelijk is voor de realisatie van het project, noch voor de realisatie van het RUP. De raad antwoordt dat vaststaat dat de onteigening noodzakelijk is voor de realisatie van het RUP, aangezien de losweg niet op een minnelijke wijze kan worden verworven. In de stedenbouwkundige studie werd de mobiliteit en de infrastructuur van de projectzone in kaart gebracht. Hierin werd opgenomen dat de bestaande verkeersdruk op de Kerkhofstraat zoveel mogelijk moet worden ontzien. Gezien de losweg in het RUP wordt aangeduid als verbinding voor langzaam verkeer, wordt ervoor geopteerd deze verbinding in te schakelen in zowel het doorgaand netwerk van de trage wegen van de gemeente, als voor de ontsluiting van de projectzone. Bezwaarindiener stelt dat enkel perceel 406H binnen de perimeter van het RUP Acacialaan gelegen is en perceel 406K daarbuiten valt. De verbinding voor langzaam verkeer loopt enkel en alleen over het perceel 406H en geenszins over het perceel 406K. De raad antwoordt dat de verbinding voor langzaam verkeer slechts kan worden gerealiseerd indien ook een gedeelte van het perceel 406K wordt onteigend. De doelstelling [van] deze bestemming van het RUP, namelijk het verwezenlijken van een verbinding voor langzaam verkeer, kan dus slechts worden gerealiseerd na verwerving van beide gedeeltes van percelen. Perceel 406K is gelegen buiten de perimeter van het RUP Acacialaan maar is volgens het gewestplan gelegen in woonuitbreidingsgebied. Woonuitbreidingsgebied is volgens het Grond- en Pandendecreet voorbehouden voor groepswoningbouw. Door het project zal de bestemming van het woonuitbreidingsgebied worden verwezenlijkt. Hiervoor dient [de] losweg te worden onteigend”.
Ter verantwoording van de noodzaak van de onteigening wordt derhalve onder meer aangevoerd dat het verwezenlijken van een verbinding voor langzaam verkeer slechts na verwerving van beide gedeeltes van de percelen nrs. 406/h en 406/k kan worden gerealiseerd, dat het gebied niet in der minne kan worden verworven en dat een onteigening zich derhalve voor deze beide percelen opdringt, dat de te onteigenen gedeeltes van percelen voorts bepalend zijn voor het sociaal woonproject omdat de aanleg van de ontsluitingsweg voor de nodige capaciteit ten opzichte van het woonerf zorgt, en dat de onteigening bovendien noodzakelijk is aangezien er in de sociale huisvestingssector bijkomende capaciteit moet worden voorzien. Verzoekers tonen de onjuistheid van de voormelde motieven niet aan. Hun bewering “dat er voldoende uitwegen zullen zijn voor zacht verkeer en er dus wel degelijk nog andere mogelijkheden bestaan om de verkeersdruk te verlichten”, is daartoe onvoldoende.
 
7.4. Voorts overtuigen verzoekers er eens te meer niet van dat de jarenlange aanwezigheid van de losweg onjuist zou zijn. Dat de BPA-bestemming “wegenis” nooit werd gerealiseerd en er in dit verband nooit een onteigening heeft plaatsgevonden, toont dit nog niet aan. Geenszins wordt beweerd dat de losweg jaren voor gemotoriseerd verkeer “zou gebruikt zijn”, doch enkel dat de losweg voordien ook voor gemotoriseerd verkeer “toegankelijk” was. De discussie omtrent het zakenrechtelijke statuut van de losweg is voorts niet dienend, nu de Raad van State inzake de beoordeling daarvan niet bevoegd is.
 
7.5. De keuze voor de ontsluiting ter hoogte van de percelen van verzoekers is bij de vaststelling van het gemeentelijk RUP gemaakt. Bij het nemen van de bestreden beslissing diende geen onderzoek naar alternatieve locaties te gebeuren.
 
7.6. In de mate dat verzoekers verwijzen naar de omzendbrief HV 96/01 van 26 juli 1996 „betreffende onderrichtingen inzake het verlenen van ministeriële instemming voor onteigeningen in het kader van huisvestingsprojecten‟ en de “Vlaamse Omzendbrief Onteigeningen 2011”, dient vastgesteld dat een gebeurlijke inbreuk op deze niet-verordenende omzendbrieven niet tot vernietiging kan leiden.
 
7.7. Een schending van de aangehaalde rechtsregels wordt niet aangetoond.
 
7.8. Het middel wordt verworpen.
 
C. Derde middel
 
Uiteenzetting van het middel
 
8.1. Verzoekers voeren in een derde middel de schending aan van artikel 2.4.3, § 2, VCRO, artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 oktober 2011 „inzake onteigeningen ten algemene nutte ten behoeve van de gemeenten, de provincies, de autonome gemeentebedrijven, de autonome provinciebedrijven, de OCMW‟s, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en de provinciale ontwikkelingsmaatschappijen‟ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 14 oktober 2011), artikel 235, § 1, van het provinciedecreet, het beginsel “patere legem quem ipse fecisti”, alsook voeren zij machtsoverschrijding en de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag aan.
 
Verzoekers menen dat het bestreden besluit de tweede verwerende partij ten onrechte bevoegd verklaart om de losweg te onteigenen om een ontsluitingsweg voor langzaam verkeer te realiseren, nu zij geen onteigeningsinstantie in de zin van artikel 2.4.3, § 2, VCRO is, en het optimaliseren van een trage netwerkverbinding binnen de gemeente Londerzeel niet binnen haar maatschappelijk doel valt. Zij voeren andermaal aan dat het eigenlijke doel van de onteigening de ontsluiting van het achtergelegen sociaal woonproject buiten het plangebied is, hoewel de onteigening enkel voor de aanleg van een verbinding voor langzaam verkeer in uitvoering van het gemeentelijk RUP kan dienen. Enkel de gemeente Londerzeel zelf kan daartoe tot onteigening op grond van artikel 2.4.3, § 1, VCRO overgaan. Het feit dat de gronden krachtens het bestreden besluit aan de gemeente zullen overgedragen worden, weerlegt de voorwaarde van artikel 235, § 1, van het provinciedecreet, volgens dewelke de tweede verwerende partij enkel voor eigen rekening kan onteigenen.
 
8.2. Verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord dat de verwerende partijen niet aantonen dat de tweede verwerende partij tot onteigening bevoegd was. Geen van de door hen aangehaalde bepalingen laat haar toe te onteigenen om een ontsluitingsweg voor langzaam verkeer te realiseren, hetgeen niet in haar statuten is opgenomen. Dit geldt des te meer, nu niet ter realisatie van het gemeentelijk RUP wordt onteigend. De tweede verwerende partij kan zich niet op het besluit van de Vlaamse regering van 14 oktober 2011 beroepen, aangezien dit inmiddels is opgeheven. Nogmaals benadrukken verzoekers dat het sociaal woonproject in het gemeentelijk RUP geen grondslag vindt aangezien het buiten het plangebied is gelegen. De losweg, die als ontsluiting van het project moet dienen, wordt niet in uitvoering van het gemeentelijk RUP onteigend, zodat het niet aan de tweede verwerende partij toekwam om tot onteigening over te gaan.
 
8.3. Verzoekers doen in hun laatste memorie nog gelden dat de statuten van de tweede verwerende partij “strikt geïnterpreteerd moeten worden”. De ontsluiting van een sociaal woonproject behoort volgens hen niet tot het maatschappelijk doel van die partij. Uit het administratie dossier blijkt voorts niet dat de aanleg van een verbindingsweg voor traag verkeer noodzakelijk zou zijn om het sociaal woonproject te kunnen realiseren. Zij herhaalt dat het sociaal woonproject met het gemeentelijk RUP geen uitstaans heeft.
 
Beoordeling
 
9.1. Het te dezen toepasselijke artikel 235, § 2, van het provinciedecreet bepaalt:
 
“Het autonoom provinciebedrijf kan door de Vlaamse Regering gemachtigd worden om in eigen naam en voor eigen rekening over te gaan tot onteigeningen die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van zijn doelstellingen”.
 
Het toepasselijke artikel 2.4.3, § 2, VCRO, luidt:
“§ 2 Ongeacht de bepalingen die andere overheden bevoegd verklaren tot onteigenen, kunnen de volgende instanties als onteigenende instanties optreden ter verwezenlijking van ruimtelijke uitvoeringsplannen: het gewest, de provincies, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten, de openbare instellingen en ook de organen die door de Vlaamse Regering gemachtigd zijn om te onteigenen ten algemenen nutte”. Artikel 6, 5°, van het Vlaams Onteigeningsdecreet bepaalt: “De volgende instanties zijn bevoegd om tot onteigening over te gaan: […] 5° de autonome provinciebedrijven en de provinciale ontwikkelingsmaatschappijen”.
 
Anders dan verzoekers dit zien, is artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 oktober 2011 te dezen van toepassing, niettegenstaande dit besluit met ingang van 1 januari 2018 bij artikel 37, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 oktober 2017 „tot uitvoering van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017‟ is opgeheven. Zoals gezien, bepaalt artikel 124 van het Vlaams Onteigeningsdecreet immers dat “lopende administratieve procedures […] onderworpen blijven aan de bepalingen die van toepassing waren voor de inwerkingtreding van dit decreet”. Het toentertijd geldende artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 oktober 2011 bepaalt: “De Vlaamse minister, bevoegd voor de Binnenlandse Aangelegenheden is, behoudens in de gevallen bepaald in de wet, bevoegd om de gemeenten, provincies, de autonome gemeentebedrijven, de autonome provinciebedrijven, de OCMW‟s, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en de provinciale ontwikkelingsmaatschappijen te machtigen over te gaan tot onteigening ten algemenen nutte”.
 
9.2. Gezien de voormelde bepalingen kan de tweede verwerende partij ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan tot onteigening gemachtigd worden, voor zover dit voor de verwezenlijking van haar doelstelling noodzakelijk is. Het enkele feit dat het sociaal woonproject buiten het plangebied van het gemeentelijk RUP gelegen is, noopt niet tot de conclusie dat de onteigening door de tweede verwerende partij niet in uitvoering van het gemeentelijk RUP kan geschieden.
 
9.3. De statuten van de tweede verwerende partij luiden:
 
“Artikel 2 §1. Inzake grond- en woonbeleid wordt Vlabinvest APB belast met: 1° het grondbeleid en de realisatie van woonprojecten met een sociaal karakter in gemeenten van de provincie Vlaams-Brabant; […] Artikel 5 § 1. Binnen het kader van zijn maatschappelijk doel kan Vlabinvest APB alle initiatieven nemen die nuttig of noodzakelijk zijn om zijn doelstellingen, zoals omschreven in het artikel 2 van deze statuten, te bereiken. § 2. Vlabinvest APB kan voor het vervullen van zijn maatschappelijk doel zelf: […] 2° tot onteigening ten algemene nutte overgaan, mits machtiging […]”.
 
9.4. De realisatie van een sociaal woonproject valt binnen de grenzen van het maatschappelijk doel van de tweede verwerende partij. Redelijkerwijze moet ook de ontsluiting van een sociaal woonproject geacht worden daartoe te behoren. Aangenomen moet immers worden dat een sociaal woonproject zonder de vereiste ontsluiting werkbaar noch vergunbaar is. De verwezenlijking van de ontsluitingsweg/verbindingsweg moet in redelijkheid geacht worden voor de realisatie van het sociaal woonproject noodzakelijk te zijn.
 
9.5. Anders dan verzoekers dit zien, werd de tweede verwerende partij derhalve terecht bevoegd verklaart om tot de onteigening van verzoekers percelen over te gaan. Hun betoog dat de hoofdreden voor de onteigening niet de tenuitvoerlegging van het gemeentelijk RUP is, doet niet anders besluiten.
 
9.6. Het enkele feit dat de gronden luidens het bestreden besluit aan de gemeente zullen overgedragen worden “om het netwerk van zachte weggebruikerspaden te optimaliseren”, houdt nog niet in dat de tweede verzoekende partij bij de verwerving van de kwestieuze percelen niet “voor eigen rekening” zou optreden.
 
9.7. Het middel wordt verworpen.
 
D. Vierde middel
 
Uiteenzetting van het middel
 
10.1. Verzoekers voeren in een vierde middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet en van het materiëlemotiverings- en rechtszekerheidsbeginsel, alsook voeren zij de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag aan.
 
Zij bekritiseren dat noch in de bestreden beslissing noch in het onteigeningsdossier wordt uitgelegd hoe de gerechtelijke onteigeningsprocedure zal verlopen, volgens de onteigeningswet dan wel volgens het Vlaamse Onteigeningsdecreet. Verzoekers zetten uiteen dat noch in de bestreden beslissing noch in het onteigeningsdossier wordt verwezen naar de inwerkingtreding van het nieuwe Vlaams Onteigeningsdecreet en naar wat de gevolgen daarvan zullen zijn indien de gerechtelijke procedure na de inwerkingtreding van dit decreet wordt opgestart. Er wordt niet gemotiveerd op grond van welke wetgeving tot gerechtelijke onteigening zal kunnen overgegaan worden.
 
10.2. Verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord dat de rechtsonderhorige zeker in geval van een onteigening moet weten wat de te volgen gerechtelijke procedure zal zijn. Dit geldt des te meer nu hangende de procedure een nieuw onteigeningsdecreet is tussengekomen. Er dient met de overgangsregeling in het Vlaams Onteigeningsdecreet rekening te worden gehouden. Het is niet omdat dit decreet van 1 januari 2018 in werking is getreden dat onteigeningsmachtigingen waarvan de administratieve procedure is ingezet op een ogenblik dat de inwerkingtreding van het decreet voorafgaat, onverkort volgens de nieuwe wetgeving hun verder beslag zullen krijgen.
 
Beoordeling
 
11.1. In de mate dat verzoekers betogen dat uit de overgangsbepaling van artikel 124 van het Vlaams Onteigeningsdecreet “niet [kan] worden afgeleid of de gerechtelijke procedure hoe dan ook conform dit nieuwe onteigeningsdecreet zal moeten verlopen” en dat de overgangsbepaling in het Vlaams Onteigeningsdecreet “zeker niet eenduidig is opgesteld”, leveren zij een niet-ontvankelijke kritiek op het Vlaams Onteigeningsdecreet.
 
11.2. De Raad van State is verder geen bepaling bekend – en verzoekers voeren er ook geen aan – op grond waarvan het bestreden besluit nadere verduidelijking zou moeten verschaffen over de gerechtelijke onteigeningsprocedure die zal worden gevolgd.
 
11.3. Artikel 124, laatste lid, van het Vlaams Onteigeningsdecreet, dat op 1 januari 2018 in werking is getreden, is ter zake overigens duidelijk en bepaalt: “Titel 4 van dit decreet is niet van toepassing op lopende gerechtelijke procedures die onderworpen blijven aan de bepalingen die van toepassing waren voor de inwerkingtreding van dit decreet”. De gerechtelijke procedure tot onteigening is nog niet aangevat, zodat deze overeenkomstig de bepalingen van titel 4 van het Vlaams Onteigeningsdecreet zal moeten verlopen.
 
11.4. Verzoekers maken geen schending van de aangevoerde rechtsregels aannemelijk.
 
11.5. Het middel wordt verworpen.
 
V. Kosten
 
12. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017 „tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand‟, zoals het is ingevoegd bij de wet van 26 april 2017.
 
Dit betekent dat de bijdrage, bedoeld in voormeld artikel slechts éénmaal is verschuldigd per verzoekschrift, ongeacht het aantal partijen.
 
Bijgevolg is er aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdrage.
 
BESLISSING
 
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
 
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan elk van de verwerende partijen.
 
De onterecht betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro dient te worden terugbetaald.
 
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
 
Johan Lust, kamervoorzitter,
Jan Clement, staatsraad,
Stephan De Taeye, staatsraad,
 
bijgestaan door
 
Frank Bontinck, griffier.