Print

Raad van State - Arrest nr. 248.752 van 27 oktober 2020 - Beroep tot nietigverklaring - Lokaal bestuur - Lokaal personeel

Rechtbank/Hof
Raad van State
Arrestnummer
248.752
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
dinsdag 27 oktober 2020
Samenvatting
 
De definitieve vernietiging van het voornoemde raadsbesluit brengt met zich mee dat het uitvoeringsbesluit van het vast bureau Personeel van het OCMW van Gent betreffende "Eénmalige vaste aanstelling in statutair verband op grond van aantal jaren actieve dienst - aanstelling" definitief de noodzakelijke rechtsgrond ontbeert. En die vaststelling impliceert dan weer dat verzoeker geen wettig belang erbij kan hebben dat het thans bestreden besluit van de toezichthoudende overheid houdende de vernietiging van het voornoemde uitvoeringsbesluit door de RvS nietig wordt verklaard. Dat een dergelijke nietigverklaring tot gevolg zou hebben dat de verwerende partij haar vernietigde besluit niet zou kunnen hernemen, zoals verzoeker aanvoert, verleent hem nog geen wettig belang bij die nietigverklaring.
 
Tekst arrest
 
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
 
IXe KAMER
 
ARREST
 
nr. 248.752 van 27 oktober 2020
in de zaak A. 224.013/IX-9199
 
In zake: Eddy TARAGOLA
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten Tom Messiaen, Wouter Moonen en Nick Parthoens
kantoor houdend te 9000 Gent
Deinsesteenweg 114 bij wie woonplaats wordt gekozen
 
tegen:
 
de VLAAMSE GEMEENSCHAP
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Tom De Sutter
kantoor houdend te 9000 Gent
Koning Albertlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
 
I. Voorwerp van het beroep
 
1. Het beroep, ingesteld op 18 december 2017, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et besluit van de Minister van Binnenlands bestuur van 5 oktober 2017 houdende de vernietiging van het besluit 2017_VBP_00512 van het Vast Bureau Personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Gent van 29 mei 2017 tot vaste aanstelling in statutair verband op grond van aantal jaren actieve dienst”.
 
II. Verloop van de rechtspleging
 
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
 
Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld.
 
De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.
 
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2020.
 
Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.
 
De verzoekende partij en voor wie eveneens verschijnt advocaat Nick Parthoens en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
 
Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
 
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
 
III. Feiten
 
3.1. Verzoeker is als contractueel stafmedewerker in dienst van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van Gent.
 
3.2. Op 12 april 2017 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Gent om “goed [te keuren] dat medewerkers éénmalig vast aangesteld kunnen worden in statutair verband op grond van aantal jaren actieve dienst bij de Stad Gent, het OCMW Gent, de hulpverleningszone centrum, de autonome gemeentebedrijven en de OCMW-vereniging SVK Gent”.
 
Het desbetreffende raadsbesluit stelt ook de voorwaarden vast voor de “éénmalige statutarisering”.
 
3.3. Ter uitvoering van het voormelde raadsbesluit van 12 april 2017, keurt het vast bureau Personeel van het OCMW van Gent op 29 mei 2017 de aanstelling in statutair verband van 98 medewerkers goed, waaronder ook de aanstelling van verzoeker.
 
3.4. Bij besluit van 14 augustus 2017 vernietigt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding in de uitoefening van het bestuurlijk toezicht het voormelde raadsbesluit van 12 april 2017.
Met een brief van dezelfde datum stelt de voornoemde Vlaamse minister de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Gent in kennis van haar vernietigingsbesluit en verzoekt zij om haar “alle besluiten tot aanstelling te bezorgen die werden genomen op basis van dit vernietigde besluit”.
 
3.5. Op 5 september 2017 legt de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn aan de voornoemde Vlaamse minister “de aanstellingsbesluiten […] naar aanleiding van […] het OCMW-raadsbesluit […] van 12 april 2017” voor.
 
3.6. Bij besluit van 5 oktober 2017 vernietigt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding in de uitoefening van het bestuurlijk toezicht het besluit van het vast bureau Personeel van het OCMW van Gent van 29 mei 2017 betreffende “Eénmalige vaste aanstelling in statutair verband op grond van aantal jaren actieve dienst – aanstelling”.
 
Dit vernietigingsbesluit maakt het voorwerp uit van het voorliggende beroep tot nietigverklaring.
 
3.7. Op 14 oktober 2017 stelt het OCMW van Gent bij de Raad van State een beroep in tot nietigverklaring van het hiervóór sub 3.4 vermelde vernietigingsbesluit (zaak A. 223.556/IX-9194). Onder meer verzoeker komt in die zaak tussen. Bij arrest nr. 247.103 van 20 februari 2020 verleent de Raad van State in die zaak akte van de afstand van het geding vanwege het OCMW.
 
3.8. Op 11 december 2017 stelt het OCMW van Gent bij de Raad van State ook een beroep in tot nietigverklaring van het hiervóór sub 3.6 vermelde vernietigingsbesluit (zaak A. 223.969/IX-9196). Bij arrest nr. 247.104 van 20 februari 2020 verleent de Raad van State ook in die zaak akte van de afstand van het geding vanwege het OCMW.
 
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
 
Ambtshalve exceptie
 
4. Het auditoraatsverslag werpt ambtshalve een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, gesteund op het ontbreken van het rechtens vereiste belang bij het beroep in hoofde van verzoeker.
 
De exceptie is uiteengezet als volgt:
 
“1. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Gent heeft afstand gedaan van het vernietigingsberoep ingesteld tegen het ministerieel besluit van 14 augustus 2017 waarbij [het] besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Gent van 12 april 2017 wordt vernietigd. In arrest nr. 247.103 van 20 februari 2020 heeft de Raad van State akte verleend van de afstand van geding van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
2. Zoals verzoeker zelf in zijn proceduregeschriften heeft erkend, vloeit de bestreden beslissing voort uit het definitief vernietigde besluit van 12 april 2017 van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van 2017 en moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing thans geen rechtsgrond meer heeft. Verzoeker heeft hierdoor geen belang meer bij zijn beroep.”
 
Repliek van verzoeker
 
5. Verzoeker repliceert daarop in zijn laatste memorie dat “de Eerste Auditeur […] hiermee [vooruitloopt] op de feiten”. Hij wijst er vooreerst op dat hij in zijn eerste middel heeft uiteengezet dat het bestreden besluit moet worden vernietigd omdat de verwerende partij heeft gehandeld met machtsoverschrijding. Indien de Raad van State het bestreden besluit vernietigt, zo vervolgt verzoeker, dan zal de verwerende partij het niet kunnen hernemen.
 
Voorts stelt verzoeker dat het besluit van het vast bureau Personeel van 29 mei 2017 dat door het bestreden besluit is vernietigd, “als gevolg hiervan te beschouwen [is] als een rechtsverlenende rechtshandeling”. Door het eventueel retroactief verdwijnen van de rechtsgrond van deze rechtshandeling wordt haar dat rechtsverlenend karakter niet ontnomen, zo betoogt verzoeker. Volgens hem ontkent het standpunt dat hij geen belang meer heeft bij het onderzoek van de wettigheid van het bestreden besluit, het rechtsverlenend karakter van dat besluit.
 
Beoordeling
 
6. Er bestaat tussen de partijen geen betwisting over dat het besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Gent van 12 april 2017 om “goed [te keuren] dat medewerkers éénmalig vast aangesteld kunnen worden in statutair verband op grond van aantal jaren actieve dienst bij de Stad Gent, het OCMW Gent, de hulpverleningszone centrum, de autonome gemeentebedrijven en de OCMW-vereniging SVK Gent” de enige, maar noodzakelijke rechtsgrond was van het door het thans bestreden besluit vernietigde besluit van het vast bureau Personeel van het OCMW van Gent van 29 mei 2017 betreffende “Eénmalige vaste aanstelling in statutair verband op grond van aantal jaren actieve dienst – aanstelling”.
 
Die rechtsgrond is vernietigd bij besluit van de toezichthoudende overheid van 14 augustus 2017 en deze vernietiging is ten gevolge van de afstand van het beroep dat door het OCMW van Gent ertegen bij de Raad van State werd ingediend, definitief geworden.
 
De definitieve vernietiging van het voornoemde raadsbesluit van 12 april 2017 brengt met zich mee dat het uitvoeringsbesluit van het vast bureau Personeel van het OCMW van Gent van 29 mei 2017 betreffende “Eénmalige vaste aanstelling in statutair verband op grond van aantal jaren actieve dienst – aanstelling” definitief de noodzakelijke rechtsgrond ontbeert. En die vaststelling impliceert dan weer dat verzoeker geen wettig belang erbij kan hebben dat het thans bestreden besluit van de toezichthoudende overheid houdende de vernietiging van het voornoemde uitvoeringsbesluit door de Raad van State nietig wordt verklaard.
 
Dat een dergelijke nietigverklaring tot gevolg zou hebben dat de verwerende partij haar vernietigde besluit niet zou kunnen hernemen, zoals verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert, verleent hem nog geen wettig belang bij die nietigverklaring. Tevergeefs ook beroept verzoeker zich op het rechtsverlenend karakter van het besluit van het vast bureau Personeel van 29 mei 2017. Dat rechtsverlenend karakter impliceert immers niet dat het bedoelde besluit ook zonder rechtsgrond wettig kan bestaan.
 
7. De exceptie is gegrond en leidt tot het besluit dat het voorliggende beroep onontvankelijk is.
 
V. Kosten
 
8. Ter terechtzitting vraagt verzoeker om hem geen rechtsplegingsvergoeding ten laste te leggen, gelet op de omstandigheid dat het niet aan hem is toe te schrijven dat door de Raad van State geen uitspraak werd gedaan over het beroep tot nietigverklaring dat het OCMW van Gent had ingesteld tegen de vernietiging door de toezichthoudende overheid van het besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van 12 april 2017 dat tot rechtsgrond diende van de door het thans bestreden besluit vernietigde aanstelling van verzoeker in statutair dienstverband.
 
9. Die door verzoeker aangevoerde omstandigheid neemt evenwel helemaal niet weg dat de verwerende partij in de voorliggende zaak als de in het gelijk gestelde partij moet worden beschouwd en krachtens artikel 30/1, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State aanspraak kan maken op de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding. Evenmin verantwoordt ze een verlaging van het bedrag van de toe te kennen rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 30/1, § 2, van diezelfde gecoördineerde wetten, aangezien het in de macht van verzoeker lag om zelf een beroep tot nietigverklaring tegen de vernietiging van het raadsbesluit van 12 april 2017 bij de Raad van State in te stellen, wat hij niet heeft gedaan.
 
BESLISSING
 
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
 
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
 
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter,
Bruno Seutin, staatsraad,
Bert Thys, staatsraad,
bijgestaan door
Vera Wauters, griffier.